Creutz, burgemeester Dr. C.O.Ph. baron

Periode: 1917 - 1938
Plaatsaanduiding: Ede - oost

Op 16 september 1929 treedt ’s morgens om acht uur het voltallige korps van gemeenteambtenaren aan in Bennekom, voor de woning van Dr. C.O.Ph. baron Creutz, die op die dag zijn 12½-jarig jubileum als burgemeester van Ede viert. Onder begeleiding van het Edesche Fanfarekorps brengen de ambtenaren de burgemeester een aubade. ’s Middags is er tijdens een buitengewone raadsvergadering een huldiging, waarbij wethouder IJssel de Schepper de burgemeester dank en lof toezwaait voor alle werk door hem verzet. Een receptie en een huldiging vanuit de burgerij op het marktplein sluiten de dag af.
Na dit jubileum is Baron Creutz nog tot 1938 in functie als burgemeester van Ede.

 

Afkomst

Carl Oscar Philip Creutz wordt op 24 september 1873 te Arnhem geboren als 3e zoon van Stephan Johann Ludewick Baron Creutz en Philippina Cornelia de Jonckeere. Dat de familie Creutz geen Nederlandse wortels heeft is hoorbaar in de namen. De oorsprong van de familie ligt in Zweden waar de voorouders een militaire loopbaan hadden.

De in 1788 in het Zweedse Högby geboren en in 1867 in Nijmegen overleden grootvader van burgemeester Creutz is op enig moment als officier van de artillerie in Zweedse dienst overgestapt naar de functie van Kapitein der artillerie in Nederlandse dienst. Ook vader Creutz heeft een militaire loopbaan maar is tevens gemeenteraadslid van Arnhem.

Bij koninklijk besluit van 2 maart 1867 wordt de familie Creutz ingelijfd in de Nederlandse adel met de titel van Baron. Evenals zijn beide oudere broers Jacobus Catharinus en Stephan volgt ook Carl Oscar Philip een rechtenstudie in Leiden.

In 1910 trouwt baron Creutz te Nijmegen met Isabella Geertruida Catharina Elisabeth jonkvrouw van Pabst van Bingerden.

"Een ambt zoo schoon ..."

Op vrijdag 16 maart 1917 opent waarnemend voorzitter E. Jochemsen om half elf ’s morgens de gemeenteraadsvergadering waarin Mr. Dr. C. O. Ph. Baron Creutz als burgemeester wordt geïnstalleerd. Nadat de nieuwe burgemeester is binnengeleid, wordt het benoemingsbesluit voorgelezen en vervolgens spreekt de voorzitter de Edelachtbare Heer Burgemeester toe.

“De taak u opgedragen is zeer zeker een hooge onderscheiding, doch ook niet minder een gewichtig ambt, met groote verantwoordelijkheid. (…) Hij, die wijsheid zelve is, geve U wat noodig is om de belangen van onze geheele Gemeente, met de meeste onpartijdigheid, tot haar bloei en welzijn te bevorderen.”

Dat burgemeester Creutz zijn werk begint terwijl de Eerste Werldoorlog nog volop gaande is, brengt voorzitter Jochemsen ertoe te zeggen: “den onzettenden tijd dien wij thans beleven, ik zou hem willen noemen, de tijd van een krankzinnigen wereldoorlog, welke klaarblijkelijk een wereldoordeel is, die zoo God het niet verhoed, moet uitloopen op een wereldcatastrofe met al hare gevolgen, legt nu reeds Burgemeester U een zeer zware taak op de schouders. (...) In het bijzonder zij dan ook al dat geene U toegewenscht, wat ge ook hiervoor zoo zeer zult noodig hebben.”

Nadat hem de ambtsketen - “het teeken Uwer waardigheid” - is omgehangen, spreekt burgemeester Creutz de wethouders en raadsleden toe. Hij verklaart dat het burgemeestersambt (“een ambt zoo schoon als wellicht geen ander”) altijd een grote aantrekkingskracht op hem heeft uitgeoefend en dat hij het ambt graag wil invullen als ”burgervader, om te zijn, niet de meester der gemeente, doch de eerste dienaar der gemeente: de man die steeds gereed staat voor de gemeentenaren, indien zij in last of druk zijn, en die geroepen is om die klagenden en bezwaarden raad en bijstand te verschaffen, hun zaak te onderzoeken, het oneffene beëffenen en het kromme recht maken. In die zin Mijne Heeren wil ik trachten niet alleen de eerste, maar ook de beste dienaar Uwer gemeente te zijn”.

In zijn installatietoespraak zwaait burgemester Creutz lof toe aan Ede en in zijn slotzin refereert Creutz aan de wapenspreuk van Ede als hij zegt: “Mijne Heeren noch gij noch ik evenwel zouden bij de uitoefening van onze taak uitkomen, indien wij alleen rekenden op steun van menschen. ‘Hoc nitimur’ aldus luidt het in de spreuk Uwer gemeente, die gij op den wand dezer zaal deed schilderen. Hoc nitimur: onze steun is op God en Zijn Woord.”

Werkzaamheden

Bij de installatie van Mr. Dr. C.O.Ph. Baron Creutz spreekt ook de heer Tulp als één der oudste raadsleden en hij vraagt de aandacht van de nieuwe burgemeester voor enkele zaken.
“De gemeente heeft een doorsnede van 6 uren gaans. Ede heeft behoefte aan verbindingswegen”. Gekomen is er een veelheid aan straten en verbindingswegen, voornamelijk veroorzaakt door de uitbreiding van Ede.

In de periode Creutz groeit het aantal inwoners tot 35.000, ontwikkelt zich het voortgezet onderwijs, wordt riolering aangelegd en vestigt zich de ENKA binnen de grenzen van Ede. In zijn welkomstwoorden wijst raadslid Tulp ook op de noodzaak van industriële bloei – “de industrie vindt hier uitstekende terreinen” - en de behoefte aan uitbreiding van het elektriciteitsnet.

De door Tulp gewenste industriële bloei is er dus gekomen. Met name de komst van de ENKA naar Ede is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het dorp.

Als men in 1919 de aan de rand van Ede gelegen Schraaljammer koopt voor 10 cent per m2, is Ede een dorpje van zo’n 5000 inwoners: “de bevolking leeft er van rogge, varkensvlees, wol, eieren en honing”. In 1922 beginnen zo’n 1000 medewerkers in de nieuwe fabriek en zes jaar later zijn het er al meer dan 5000.

De meeste van deze werknemers komen van buiten Ede en hebben dus woonruimte nodig. Door de speciaal opgerichte woningbouwvereniging ‘Vooruit’ wordt ten zuiden van de spoorlijn Utrecht-Arnhem een compleet tuindorp uit de grond gestampt. Doordat deze woningbouwvereniging vrijwel volledig door de ENKA-directie bestuurd wordt, is de verhouding met de gemeente nogal gespannen, met name als op de aanvankelijk economische groei de recessie van de jaren dertig volgt.

Dat Ede tot ver in de twintigste eeuw een agrarische samenleving is, blijkt duidelijk uit de gemeenteverslagen. Het hoofdstuk “Landbouw en Veeteelt” is wel het meest uitvoerig en vermeldt tot in detail de samenstelling van de gezamenlijke veestapel: dekhengsten, veulenmerriën, ezels, melkkoeien en melkvaarzen, trekossen, schapen, varkens etc. Het pluimvee wordt niet geteld, maar het aantal bijenkorven weer wel (1.563 in 1917) evenals de hoeveelheid hectaren gewassen: tarwe, rogge, haver, boekweit, mangelwortels, zomerspurrie etc.

Het hoofdstuk “Nijverheid, Handel en Scheepvaart” daarentegen vermeldt pas in 1926 voor het eerst de ENKA. De jaren daarna is er de standaardformulering “In deze gemeente zijn gevestigd: een fabriek der A.K.U, Edesche Machinefabriek, enz.”  In de crisisjaren wordt hieraan toegevoegd “De crisis deed ook hier haar invloed geducht gelden”.

Alleen aan het aantal afgegeven vergunningen ingevolge de Hinderwet is de economische groei enigszins af te lezen: in 1918-5, in 1920-12 en in 1927-49. Dat de economie terugloopt blijkt uit de jaren daarna: in 1928 zijn er 35 afgegeven vergunningen en in 1929 nog maar 28.

Conflict

In 1920 moet een nieuwe chef van gemeentewerken benoemd worden. Burgemeester en wethouders stellen voor hiervoor de titel Directeur Gemeentewerken te hanteren, maar door de gemeenteraad wordt op voorstel van een raadslid met meerderheid van stemmen gekozen voor de titel Gemeente-architect.

Er blijken 64 sollicitanten te zijn, waaronder de populaire Edese gemeente-opzichter Kalma. Door een extern deskundige wordt een voordracht van drie personen opgesteld, waaronder niet de heer Kalma. Deze voordracht wordt overgenomen door B&W en voorgelegd aan de raad. Het is direct duidelijk dat er tegenstand is.

Door de heer Tulp worden kritische kanttekeningen geplaatst bij de gevolgde procedure: “De technische adviseur van Burg. en Weth. zal ontegenzeggelijk wel een knap man zijn, moet dit ook wel wezen, want anders is het onmogelijk, om na een examen van ongeveer 15 minuten, in staat te zijn, de opgeroepen sollicitanten zoo positief te beoordelen”. Ook op het rapport van de extern deskundige heeft Tulp kritiek. Burgemeester Creutz pareert deze kritiek met de opmerking: “Ik ben geen deskundige en zal mij er dus wel voor wachten iets ten voor- of nadeele van dit rapport te zeggen. Het was B. en W. niet bekend, dat we in den heer Tulp wel zulk een deskundige in ons midden hadden. Hadden we dit geweten, dan hadden wij zeker hem als deskundig adviseur gekozen”.

Tulp pleit vervolgens voor de heer Kalma (“De benoeming van den heer Kalma tot gemeente-opzichter had de bedoeling, om hem daarna te benoemen tot gemeente-architect.”) en beëindigt zijn pleidooi met “ik wensch mede te deelen, dat ik mijn stem zal geven aan den heer Kalma”. Er volgt bijval voor de heer Tulp en bij de stemming zijn er van de 17 uitgebrachte stemmen 8 voor de heer Kalma. Omdat dit geen volstrekte meerderheid is, volgt herstemming met hetzelfde resultaat. Nu volgt opnieuw herstemming tussen de twee kandidaten met de meeste stemmen: Weener, de favoriet van B&W, en Kalma. Ook deze stemming leidt niet tot een uitkomst (8 voor de één, 8 voor de ander en 1 blanco stem) waarna conform het reglement van orde door loting moet worden beslist en het lot valt op ... Kalma.

Burgemeester Creutz verklaart dan deze benoeming als een motie van wantrouwen tegen het college van B&W te beschouwen, verklaart tevens de benoemde “wegens zijn leeftijd voor die betrekking absoluut ongeschikt”  te vinden en “de verantwoordelijkheid voor den goeden gang van het bestuur dezer gemeente niet verder vermag te dragen.” Op grond hiervan verklaart Creutz tenslotte dat hij “van af heden zal trachten ten spoedigste tot een andere betrekking dan die van Burgemeester van Ede geroepen te worden”.

Enkele dagen na deze raadsvergadering krijgt burgemeester Creutz bezoek van enkele raadsleden (waaronder de heer Tulp) met het doel de burgemeester tot andere gedachten te brengen. Het is de wens van de volledige gemeenteraad dat de burgemeester op zijn post blijft. Echter niet alleen de gemeenteraad uit deze wens, zodra het in Ede bekend wordt dat de burgemeester van plan is te vertrekken, komt er onder leiding van notaris Fischer een actie op gang met als doel de burgemeester voor Ede te behouden.

De druk vanuit de raad en vanuit de bevolking is dusdanig groot dat Creutz op zijn besluit terugkomt en in de raadsvergadering van 7 mei meedeelt om op dit oogenblik geen desertie te plegen doch aan het roer dezer gemeente te blijven staan en om, voor zoover mijne krachten zulks veroorloven en onder den onmisbaren bijstand van den Almachtige, te trachten ook door de baren van dit tegentij het schip der gemeente in veilige vaart verder te sturen. (…) Het waren voor mij moelijke dagen, maar tevens dagen waarvoor ik dankbaar ben ze te hebben doorgemaakt, omdat ik toen heb mogen ondervinden hoezeer in die drie jaren ik mij aan deze gemeente had gehecht en de gemeente Ede zich aan mij had gehecht.”  Raadslid notaris Dinger beantwoordt deze woorden van de burgemeester met dankbaarheid en besluit met de hoop “dat het U gegeven mag zijn, deze vergadering nog langen tijd, in dien verzoenenden geest, samen te werken tot heil onzer geliefde gemeente”.

Jubileum en afscheid

Burgemeester Creutz blijft inderdaad nog lange tijd, want na het jubileumfeest in 1929, waaraan de hele bevolking van Ede deelnam, blijft hij nog negen jaar in functie. Op 24 september 1938 bereikt hij de 65-jarige leeftijd en om die reden wordt in november afscheid genomen van een geliefde burgemeester, die er in slaagde een burgervader te zijn, zoals hij graag wilde. Dit bleek bij de receptie waar iedereen in de gelegenheid werd gesteld persoonlijk afscheid te nemen van de scheidende burgemeester; vele gemeenteleden kwamen hem een hand geven en namens de burgerij werd hem een door Jac. Gazenbeek en P. Rombout samengesteld boek overhandigd met tekeningen en foto’s van de meest markante plekjes van Ede. Na het afscheid vertrekt de oud-burgemeester al snel naar Zwitserland waar hij op 15 februari 1941 in Bern overlijdt.

Zilveren inktstel terug in Ede

Ter gelegenheid van zijn 12,5 jarig jubileum als burgemeester van Ede ontving burgemeester Creutz in 1929 een zilveren inktstel. Op 31 juli 2014 is dit 85 jaar oude inkstel weer terug in Ede. Het is aan burgemeester Cees van der Knaap overhandigd door mevrouw Madelon barones Creutz. Zij erfde het inktstel van haar vader die een achterneef was van burgemeester Creutz. Omdat zij de laatste telg is van het adellijke geslacht Creutz en er geen mannelijke nazaat meer is, schenkt ze het inktstel aan de gemeente Ede.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Geschiedenis van Ede, deel II: Het ambt en de gemeente Ede. - Ede, z.j.
  • Crebolder, G.  Een eeuw Kippenlijn. Van Ede-Nijkerk tot Ede-Amersfoort. - Barneveld, 2003
  • Schweitzer, R.  75 jaren Viscose textielgaren uit Ede. - Ede, 1997
  • Sleebe, V.  Een stapje vooruit? sociale woningbouw door de ENKA in Ede in de jaren twintig en dertig. - Nijmegen, 1983

Archieven

Krantencollectie

  • Lunters Nieuwsblad, 5 mei 1981: Burgemeester Creutz, door H.J. Nijenhuis

Auteur

Gerard van Bruggen, 2008

Gerelateerde pagina's Kennisbank