Eder Bosch, Maalschap

Periode: 1423 tot heden
Plaatsaanduiding: Ede

 

Het Eder Bosch was ooit een oerbos dat in de late Middeleeuwen grotendeels werd gekapt. De bewoners gingen meer en meer ‘plaggenlandbouw’ toepassen, waarvoor men heidevelden nodig had. Vanaf 1512 werd het bos verstandig beheerd en herbebost. Het huidige bos is voornamelijk tussen 1885 en 1925 aangeplant. Oorspronkelijk behoorde het Eder Bosch (later Edese Bos genoemd) toe aan dertien hoeven (eigenaren/aandeelhouders). Het bos behoorde niet tot een buurt, maar was een zelfstandige maalschap. Het werd beheerd door de malen (eigenaren), die tezamen de zaken van het bos regelden, vergelijkbaar met de buurten.

Houtspraak

Voor zover bekend wordt het Eder Bosch het eerst vermeld in een leenbrief uit 1423; uit een charter van 1480 blijkt dat het bos een ‘houtrichter’ had. Op de ‘houtdag’, ook wel ‘houtspraak’ genaamd, werd een scheuter en een schrijver benoemd. De eigenaar van ‘De Slijpkruik’ was het hoofd van de maalschap; hij was de ‘houtrichter’ (ook wel bosrichter genoemd). De boer van ‘De Proostdij’ had de verplichting de malen op te roepen voor de houtdag. De opbrengst van het bos was voor de dertien hoeven, dus de dertien eigenaren. Door vererving kwamen er steeds meer eigenaren, die dan een deel van een hoeve bezaten. Ook werden er (delen van) hoeven verkocht: al die eigenaren hadden stemrecht op de houtdag. Tijdens deze dagen werd uitgebreid potverteerd met eten en drinken. Deze eigenaren namen het niet zo nauw met de regel dat elke hoeve slechts recht had op zijn aandeel in het hout, dat ’s winters geveld en verdeeld werd. Het Eder Bosch dreigde in verval te raken.

Gesloten bos

Tijdens de houtspraak van 1512 grepen enkele notabelen onder de malen in. Als vanouds mocht in het vervolg slechts één eigenaar per hoeve op de houtdag verschijnen en optreden als maal. Al de mede-eigenaren van de hoeve dienden onderling het hout te verdelen, maar men had geen stem meer. Bovendien mocht elke maal slechts één stuiver op kosten van het bos verteren. Ook het vangen van vogels werd streng verboden, dit in verband met de schade die men daarmee het bos toebracht. Het bos was alleen nog toegankelijk voor bevoegden. In het vervolg werd elk jaar rond dezelfde datum een houtdag gehouden, waar de malen samen uitmaakten welk hout zou vallen. Met de bijl van de bosrichter werden de te vellen bomen gemerkt. Na de kap werden de bomen op dertien percelen gelegd en vervolgens verloot. Door deze regels consequent toe te passen ontstond er orde in het bos en werd het verval tot staan gebracht. De dag na de houtdeling werd het gevelde hout van ‘Het Loo’ op dezelfde wijze onder de dertien hoeven verdeeld. Het Loo was het noordelijk deel van het Eder Bosch met laag hout, in tegenstelling tot het Hoge Bos.

Notabelen

Na de tachtigjarige oorlog (1568-1648) werden vele bepalingen van de Boswet gewijzigd en kon de eigenaar van een halve hoeve, en bij vererving zelfs van een kwart hoeve, maal zijn. Daar tegenover stond dat de maal van meerdere hoeven ook maar één stem had. Dit was vooral nadelig voor de Heer van Kernhem die vele hoeven bezat. Later kreeg hij een tweede stem toen een van zijn pachters tot de houtspraak werd toegelaten. Meer en meer waren het niet Edese boeren die eigenaar van een hoeve waren, maar notabelen van binnen en buiten Ede. Onder notabelen worden adellijke personen, kerkelijke instellingen en personen met een belangrijke functie, zoals burgemeester en schout, verstaan. Het beheer liet men over aan de ‘substituut-houtrichter’ die met zijn commissie ook zorgde voor de jaarlijkse kap en de aanplant. Het gevelde hout werd op den duur niet langer in dertien percelen verdeeld, maar in zijn geheel verkocht en de opbrengst verdeeld. De malen hadden het recht om, als de opbrengst tegenviel, het te verdelen gedeelte te ‘naasten’ om de prijs op peil te houden. Dit had als gevolg dat in 1735 een hele hoeve in het bezit was van het bos zelf. Het aantal in Ede wonende eigenaren/geërfden, de zogenaamde ‘binnenmalen’ werd steeds kleiner. Waren er in 1518 onder de tweeëntwintig eigenaren nog maar zeven notabelen; in 1872 waren de overgebleven vier eigenaren uitsluitend notabelen (van buiten). Na 1878 werd er geen houtrichter meer benoemd; de heer van Kernhem kon als grootste eigenaar zelfstandig beslissingen nemen.

Grenzen

De heide ten oosten van het Eder Bosch behoorde aan de buurt Ede-Veldhuizen. Omdat de bosgrenzen nooit duidelijk waren vastgesteld kwam men in 1759 een regeling met de buurt overeen. Vertrouwensmannen van beide partijen trokken rechte lijnen, waardoor vreemde hoeken vervielen. Deze regeling werd door de Buurspraak en de Houtspraak goedgekeurd. Ook werd een nieuwe ‘traa’ (brandgang) gemaakt en een laan gepoot, om de grens duidelijk aan te geven. Ook met de buurt Doesburg werd een soortgelijke regeling gesloten. Vooral met de Doesburgse boeren waren er eeuwenlang twisten geweest over de grens van het bos. Veel Doesburgers vonden dat het Loo tot hun grondgebied hoorde en dreven er dus hun schapen door. In 1769 werd men het eens en zodoende kwam er ook ten noorden van het bos een traa en een laan.
 

Werkgelegenheid

Het bos zorgde ook voor behoorlijk wat werkgelegenheid. Midden 18e eeuw bestond de beroepsbevolking van het kerspel Ede uit 363 personen. Hiervan waren er gemiddeld twaalf werkzaam in het Eder Bosch; dat is circa 3%. Het Eder Bosch was in die tijd rond 408 hectare groot. Omdat het totale oppervlakte bos in Ede ruim 2700 hectare bedroeg kunnen we uitrekenen dat ’s winters ongeveer 14% van de Edese beroepsbevolking werk in het bos verrichtte. Bekend is dat dit percentage een eeuw later even groot was. Deze dagloners, die tot de laagste sociale klasse van de maatschappij behoorden, werkten ’s zomers voor de boeren en in voorjaar en winter in het bos.

Houtverkoop

In de loop der tijden veranderde de vraag naar soorten hout en daarmee werd terdege rekening gehouden met de nieuwe aanplant. Naaldhout maakte in 1832 13% van het bos uit, door de vraag naar stammen voor de mijnbouw was het aandeel gestegen tot 76% in 1974. Hakhout was in 1832 nog goed voor 38% van het bos, in 1960 was dat nog slechts 1%. Heide maakte in 1832 nog 26% uit van het bos, in 1910 was de heide geheel verdwenen. Tot in de twintigste eeuw werden er jaarlijks twee openbare verkopingen van hout gehouden. De bosdagen waren voor Ede bijzondere dagen met veel belangstellenden uit de omtrek. In logement ‘De Posthoorn’ vond de afslag plaats in aanwezigheid van de schout en later de notaris.

Kernhem

In 1888 werd het Edesche Bos geheel eigendom van de heer van Kernhem: de graven Bentinck en Waldeck Limpurg. De heren Bentinck beheerden het landgoed en het bos goed en stonden hoog in aanzien bij de Edese bevolking. In 1952 werd aan graaf W.F.C.H. Bentinck een bank aangeboden bij zijn veertig jarig jubileum als heer van Kernhem. Deze bank werd in het oostelijk deel van het Edese bos geplaatst. Zijn oudste kleindochter Sophie gravin Bentinck, schonk huis Kernhem in 1970 aan de gemeente Ede, de huidige eigenaar. In datzelfde jaar kocht de gemeente het omliggende landgoed en het ‘Edese Bos’ (samen 565 hectare) van de gravin. Na deze aankoop heeft de gemeente de functie van houtrichter in ere hersteld. De burgemeester van Ede is nu nog houtrichter en draagt bij ambtswisseling de bosbijl over aan zijn opvolger.

Bronnen (aanwezig in het gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Historische Vereniging Oud Bennekom, Oud Ede, Oud Lunteren.  Van woeste gronden: de ontwikkeling van bos, heide en zand in de gemeente Ede. - Ede, 2005
  • Rijk, J.H. de  De geschiedenis van het Edese Bos. - Wageningen, 1985
  • Schreuders, L.C.  Rond de grijze toren. - Ede, 1958
  • Vereniging Oud Ede,  Geschiedenis van Ede, deel I. - Wageningen, 1933

Archieven

Documentatie

Tijdschriften

  • De Zandloper, 1980 / 4

Auteur

Henk M. Klaassen, 2010

Gerelateerde pagina's Kennisbank