Horsting, Willem

Periode: 1803 - 1865
Plaatsaanduiding: Ede, dorp

Willem Horsting wordt geboren in Zelhem op 24 februari 1803 als zoon van Steven Horsting en Engelina Huisink. Vader Steven is rentmeester van kasteel Slangenburg (tegenwoordig gastenverblijf van de Benedictijner Abdij St. Willibrord) en wordt de eerste burgemeester van de in 1825 gevormde gemeente Doetinchem. In beide functies wordt hij opgevolgd door zoon Gerrit Jan (1813-1895) die op kasteel Slangenburg gewoond heeft.

De Posthoorn

Op 6 september 1828 trouwt Willem in Ede met de hier eveneens in 1803 geboren Maatje van de Craats (dochter van herbergier Gerrit van de Craats en Willemijntje Jansen). Waarschijnlijk is dit ook het moment waarop hij zich in Ede vestigt. Het jonge paar trekt in bij vader en moeder Van de Craats in herberg De Posthoorn. Als in 1843 en 1844 achtereenvolgens Willemijntje en Gerrit overlijden, worden Willem Horsting en zijn vrouw eigenaar van De Posthoorn, omdat Maartje enig kind is. Uit hun huwelijk worden zes kinderen geboren: Steven (1829), Gerrit (1830-1876), Engelina Wilhelmina (1834) en nogmaals Engelina Wilhelmina (1835-1893) - de twee laatsten beiden op 1 januari geboren, de eerste is echter slechts 7 dagen oud geworden. Hiernaast zijn er nog twee kinderen levenloos ter wereld gekomen, de eerste in 1832 en de laatste op 1 juni 1837, hetgeen tevens de dood van moeder Maatje ten gevolge had: zij overlijdt op 6 juni 1837, slechts 33 jaar oud.

Vooraanstaande inwoners

Willem hertrouwt op 4 april 1839 in Renkum met de in 1807 in Ede geboren Antonia Annetta Maassen. (dochter van koopman Gerrit Maassen en Teuntje Geurtse). Uit dit huwelijk wordt nog een dochter Willemina Alijda geboren (1840-1907). Willem Horsting behoort tot de elite van het dorp Ede. Als in 1842 een commissie gevormd wordt met het doel onderzoek te verrichten naar de geërfden van de buurt Ede-Veldhuizen, bestaat deze commissie uit de heren Van Nidek, Fisscher en Horsting, 'allen vooraanstaande inwoners van Ede'.

Landmeter

Van beroep is Willem Horsting landmeter en in deze hoedanigheid maakt hij verscheidene kaarten van Ede en omgeving, zoals bijvoorbeeld de eerste kaarten van het Edese bos en een kaart van het door de watersnood van 1855 overstroomde gebied.
Veel bemoeienis heeft hij gehad met de aanleg van de weg van Wageningen naar Barneveld (en verder naar Nijkerk). Hoewel hiertoe al in 1827 wordt besloten (burgemeester Prins wordt door de raad gemachtigd), wordt pas in mei 1839 landmeter Horsting belast 'het terrein en de bouwstoffen daartoe benodigd op te nemen en te begroten'. Dan duurt het weer bijna vijf jaar voordat Horsting (inmiddels raadslid geworden) 'als deskundige' verslag uitbrengt, waarin onder andere te lezen valt 'dat de geheele weg vanaf de scheiding met Wageningen tot aan die van Barneveld eene strekking heeft van 16.038 Ellen (…) Dat reeds een aanzienlijk gedeelte van dien weg is begrind te weten van af de limiet van Wageningen door het dorp Bennekom tot in het dorp Ede, vanaf den Straatweg van Kernheim tot aan de buurt van Doesburg en van af de Goorsteeg door het dorp Lunteren tot in de buurtschap Meulunteren'.
De kosten voor de nog aan te leggen en te verbeteren delen worden door Horsting begroot op 12.500 gulden: een 20-jarig bekostigingsplan wordt bijgevoegd (inclusief verwachte opbrengsten van vier aan te brengen tollen) met de conclusie 'dat alzoo de jaarlijksche kosten gemiddeld zullen bedragen de som van 2.065 gulden en na verloop van 20 jaren het genegotieerde kapitaal van 12.500 gulden zal zijn afgelost en vernietigd'.

Aanleg van wegen

Het plan wordt goedgekeurd en naast burgemeester Prins wordt ook Willem Horsting afgevaardigd naar het overleg met andere gemeenten ten einde tot uitvoering van het plan te komen. Bij de bewuste vergadering in het provinciehuis in Arnhem wordt het Edese raadslid echter niet toegelaten. Het overleg in Arnhem leidt niet tot uitvoering. Wel is Horsting later betrokken in overleg met Barneveld in verband met de aanleg van de grindweg, die in verdere verslagen te boek staat als 'grindweg van Ede naar Barneveld'. Het traject is dus ingekort, de begroting door Horsting bijgesteld en in overleg tussen beide gemeenten de kosten en de arbeid gelijkelijk verdeeld. Doordat in deze jaren de aardappeloogsten mislukken een grote werkeloosheid daarvan het gevolg is, wordt aanleg van de weg aangegrepen als een werkverschaffingsproject en kan grinddelving (het 'horden' van grind) door werklozen worden uitgevoerd. Bij vele andere projecten is Willem Horsting als landmeter betrokken. Als 'opzichter der wegen' is hij betrokken bij alle aanleg en onderhoud (en in deze jaren is het onderwerp wegen vrijwel iedere raadsvergadering aan de orde), maar ook met andere zaken heeft hij zich beziggehouden. Zo heeft hij zich in 1847 samen met Wilterdink, rentmeester van Kernhem, namens de buurt Ede-Veldhuizen bezig gehouden met opheffing van de rijkstol in de Grotestraat te Ede (zie tekening van de hand van Horsting).

Politieke loopbaan

Op 17 november 1841 wordt Willem Horsting geïnstalleerd als raadslid, daartoe benoemd door Gedeputeerde Staten: 'de gedachte benoemde, is ter vergadering tegenwoordig en na verklaard te hebben die betrekking te accepteren heeft den zelven in handen van den Burgemeester afgelegd den Eed voorgeschreven bij art.19 van het Reglement op het bestuur ten plattelande in de Provincie Gelderland, waarna dezelve respectievelijk in die betrekking heeft zitting genomen'.  Dat Willem Horsting een actief raadslid is, blijkt uit de vele malen dat zijn naam in de verslagen van de raadsvergaderingen wordt genoemd. Enkele voorbeelden:
•    in de vergadering van januari 1842 ligt er een opdracht op de raadstafel om de bruggen en duikers in de gemeente op te nemen; er wordt al snel aan de landmeter Horsting gedacht. 'Gedachte Landmeter W. Horsting als lid van den Raad dezer gemeente ter dezer vergadering tegenwoordig heeft deze Commissie aangenomen en beloofd ter behoorlijker tijd met overlegging van den gevorderden staat behoorlijk rapport te zullen doen'; 
•    gedurende een aantal jaren is hij samen met de burgemeester en een assessor lid van de Commissie tot de loting van Schutters; 
•    als voorjaar 1843 burgemeester Prins geen ambtenaar van de Burgerlijke Stand meer mag zijn ('als te Bennekom woonachtig zijnde, te ver verwijderd is van de hoofdplaats der Gemeente, alwaar de aangiften geschieden en de aktens voor den Burgerlijken Stand worden opgemaakt'), schuift de 2e ambtenaar (assessor Dirk Hendriks) door en wordt Horsting als 2e ambtenaar van de Burgerlijke Stand benoemd; 
•    augustus 1843 rapporteert W. Horsting over de school in Otterlo: het oude schoollokaal - in een zeer bouwvallige staat verkerend - is ongeschikt voor vergroting c.q. verbetering. De raad keurt een ter tafel gebracht ontwerp goed en vraagt bij de provincie subsidie aan (800 gulden wordt toegekend). Na aanbesteding wordt de bouw gegund aan J.G. Esser, timmerman te Ede, voor de som van 2.500 gulden; 
•    ook bij de beraadslagingen voor een school in Hoenderlo vertegenwoordigt Horsting de Raad. 
•    samen met raadslid Hendriks toetst hij in 1844 een nieuw uitgebracht 'reglement op de invordering van opcenten op de sterke dranken'; 
•    bij een geschil over de aankoop van heidegrond onder Bennekom wordt Horsting gecommitteerd om zo nodig met gedeputeerden te communiceren; 
•    samen met de burgemeester en assessor Slok is hij aanwezig op een vergadering in het Posthuis aan de Klomp om de Edese belangen inzake de waterlozing in de Gelderse Vallei te behartigen; 
•    in 1851 is een declaratie van Horsting wegens in 1850 gemaakte reiskosten ten bedrage van 32 gulden onderwerp van discussie omdat de post reiskosten over dat jaar ontoereikend is. Besloten wordt Gedeputeerde Staten te verzoeken dit te betalen vanuit de post "onvoorziene uitgaven". 
•    bij afwezigheid van de secretaris neemt Horsting diens werkzaamheden over en een enkele keer vervangt hij de burgemeester als voorzitter van de Raad. 
Als in 1851 de gemeentewet ingaat, worden de raadsleden door de kiezers (alleen mannen met voldoende geldmiddelen) gekozen. Nieuw is ook het ambt van wethouder; voor 1851 werd de burgemeester bijgestaan door assessoren. Een wethouder wordt gekozen uit de zittende raadsleden (politieke partijen zijn er nog niet): in 1851 zijn dit er 13 die deels nieuwgekozen en deels herkozen zijn.  Op 14 oktober komt de nieuwe raad voor het eerst bijeen onder voorzitterschap van de eveneens nieuwe burgemeester Theodorus Prins, oudste zoon van de vorige burgemeester Hermannus Theodorus Prins. In deze vergadering wordt Willem Horsting bij eerste stemming met volstrekte meerderheid als wethouder gekozen (als tweede wethouder wordt Albertus van Daalen gekozen, die echter hetzelfde jaar nog gedeputeerde van Gelderland werd en in de raad en als wethouder werd opgevolgd door Mr. W.F.H. Baron van Wassenaer van Catwijck). Nieuw is ook dat wethouders een jaarlijkse vergoeding krijgen. In een geheime raadsvergadering van 4 december 1851 wordt, terwijl Horsting afwezig is, deze vastgesteld op 10% van de burgemeesterswedde; onder voorzitterschap van wethouder Horsting heeft de Raad eerder voorgesteld deze vast te stellen op 800 gulden. Een jaar later blijkt een wethouder 30 gulden per jaar te krijgen en de burgemeester 'verdient' dan 725 gulden. 
In dezelfde vergadering waarin hij als wethouder geïnstalleerd is, wordt Horsting opnieuw als 2e ambtenaar van de burgerlijke stand benoemd en in deze hoedanigheid heeft hij honderden aktes van geboorte, huwelijk en overlijden getekend.  De laatste raadsvergadering die Horsting bijwoont is die van 14 februari 1865. Merkwaardig is dat in de vergadering van 10 juni (3 dagen voor het overlijden van Horsting) de raad besluit een stuk grond van hem te kopen. Dit perceel ligt achter het gemeentehuis: tijdens een schorsing van de raadsvergadering gaat de hele raad dan ook naar buiten en wordt 'het perceel grond opgenomen'. De eigenaar W. Horsting heeft het stukje grond aangeboden voor 250 gulden en B&W heeft er wel oren naar omdat 'het ook toegang tot de boschpoortstraat en plaats voor het stichten van een woning voor een bewaarder van het gemeentehuis geeft'. Na enige weerstand overwonnen te hebben, wordt de koop gesloten voor 225 gulden 'zonder kosten'. 

Levenseinde

Op 13 juni 1865 eindigt het leven van Willem Horsting: in de vroege morgen overlijdt hij op 62-jarige leeftijd. In de gemeenteraadsvergadering van maandag 7 augustus deelt burgemeester Van Borssele mee een brief te hebben ontvangen van Mejufvrouw de Wede Horsting met de mededeling dat haar man is overleden. Van Borssele 'stelt voor dat schrijven voor berigt aan te nemen, overmits de Raad door het bijwonen der begrafenis reeds zijne deelneming in dat overlijden heeft te kennen gegeven'.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Kamerbeek, E.  Het belang der gemeente zeer ter harte - bestuur en bestuurselite in een Veluws dorp, Ede 1795-1914. - Ede, 1992
  • Nijenhuis, H.J.  Ede in grootvaders tijd" door H.J. Nijenhuis. - Zaltbommel, 1983

Archieven

Documentatie

Auteur

Gerard van Bruggen, 2008

Gerelateerde pagina's Kennisbank