Lawick van Pabst, burgemeester Van

Periode: 1905-1910
Plaatsaanduiding: Ede

Op 2 augustus 1905 wordt als opvolger van burgemeester Op ten Noort voor de derde maal een jonkheer als burgemeester van Ede geïnstalleerd. De 45-jarige jonkheer Diederik Jacob Adrianus Albertus van Lawick van Pabst tot Nijevelt, zoals zijn volledige naam luidt, krijgt uit handen van waarnemend voorzitter Wilbrink (de oudste wethouder) de onderscheidingstekenen die bij zijn ambt horen aangeboden en neemt de functie van voorzitter van hem over. De nieuwe burgemeester “beveelt zich aan in de welwillende medewerking van de Raad en het dagelijks bestuur”.

Afkomst

Ereboog voor burgemeeester Van Lawick van Pabst, 1905 (GA28099)
Ereboog voor burgemeeester Van Lawick van Pabst, 1905 (GA28099)

Jonkheer Diederik J.A.A. wordt op 16 februari 1860 geboren in het Utrechtse Vreeland als zoon van Diederik Jan Anthonie Albertus van Lawick van Pabst tot Nijevelt en Maria Jacoba Simonetta Rijnbende. Vader Van Lawick van Pabst (tot Nijevelt wordt meestal weggelaten) is burgemeester van Vreeland en Nichtevecht, vervolgens liberaal lid van Gedeputeerde Staten van Utrecht en tenslotte 15 jaar burgemeester van Arnhem. 

De jonge jonkheer is het oudste kind en enige zoon (er waren nog vier dochters) en groeit op in een bestuurlijk milieu. Het is dus geen wonder dat hij aan de universiteit van Utrecht rechten studeert en op 23 maart 1885 afstudeert tot doctor in de rechten op een proefschrift met als titel: “Eenige beschouwingen over de artikelen 229-231 der gemeentewet”.  In deze artikelen gaat het over het heffen van rechten en belastingen.

De loopbaan van Van Lawick van Pabst begint in Buurmalsen, waar hij een aantal jaren burgemeester is. Per 1 januari 1894 wordt hij benoemd tot burgemeester van Stad-Doetinchem. (In 1930 wordt hier een straat naar hem genoemd wordt: Burgemeester Van Lawick Van Pabststraat.) In de Doetinchemse periode trouwt Van Lawick van Pabst in 1901 op 41-jarige leeftijd te Nijmegen met de 14 jaar jongere Catharina Elisabeth Engelen van Pijlsweert.

In ditzelfde jaar wordt hij eigenaar van kasteel Nijevelt: het gaat hier echter om niet meer dan enkele ruïneresten, want het eigenlijke kasteel ten westen van De Meern in de provincie Utrecht is al voor 1750 verwoest. 

Edese periode

Nadat Van Lawick van Pabst (die in Ede vaak als Van Pabst en soms als Van Pabst van Lawick wordt aangeduid) in 1905 is geïnstalleerd, begint het gewone werk. In zijn periode is er naast de zorg voor wegen (waarvan er verscheidene verhard worden), onderwijs en politie de aanleg en uitbreiding van gas- en drinkwaterleidingen - het doortrekken van het drinkwaterleidingnet naar Bennekom gaat niet door wegens te weinig belangstelling van huiseigenaren.

Met betrekking tot de wegen is duidelijk dat het toenemend militair gebruik deze geen goed doet; als een raadslid dan maar voorstelt dat de militairen naast de wegen moeten rijden, wordt dit door burgemeester Van Lawick van Pabst verworpen met de opmerking dat de wegen er zijn om bereden te worden. Bij het afscheid van burgemeester Van Lawick van Pabst wordt een blik gegund in hetgeen tijdens zijn periode is bereikt:

  • een dokterswoning in Otterlo, waardoor daar een dokter kon benoemd worden;
  • er komt een gesubsidieerde veearts te Ede;
  • een verharde weg in de Valk, waardoor ontsluiting tot stand kwam;
  • aansluiting van Lunteren en Bennekom op de gasfabriek;
  • restauratie van de torens in Ede, Bennekom en Lunteren;
  • een nieuwe school te Otterlo;
  • uitbreiding huizenbezit (met voornamelijk villa’s) in Ede, Bennekom en Lunteren.

Ondanks al deze investeringen was er geen sprake van belastingverhoging, een feit waarvoor de burgemeester wordt geprezen: “als een goede Burgemeester was het altijd Uw streven de Gemeente-financiën met gepaste zuinigheid te beheeren” en “van U zal niet kunnen worden gezegd, dat Gij roekeloos met de geldmiddelen der Gemeente hebt omgesprongen”.

Boven de partijen

Hoewel bij een afscheid over het algemeen geen harde woorden vallen, klinkt er wel in door dat de discussies soms hoog opliepen: “en hebt ge steeds het voorbeeld gegeven, ook al was er verschil van gevoelen, zonder prikkelende woorden zich bij de meerderheid te kunnen neerleggen”. Raadslid Tulp voegt hier nog aan toe: “Niet dan noode zien we U vertrekken als onzen Voorzitter en als onzen Burgemeester, en misschien heeft het voor U eenige waarde dit uit mijn mond te hooren, waar het toch als bekend kan verondersteld worden, dat uwen en mijne denkbeelden op politiek gebied nu juist niet dezelfde zijn”.

Tulp doelt hier op de liberale burgemeester versus de deels confessionele gemeenteraad. Dit verschil doet zich met name sterk voelen in zaken die te maken hebben met de zondagsrust en zondagsheiliging. Als bijvoorbeeld in september 1905 de Nederlands Hervormde Gemeente verzoekt een verordening vast te stellen dat de herbergen “kan het zijn den geheelen zondag maar anders ten minste des namiddags na vijf uur moeten gesloten zijn”, wordt besloten dit voorstel aan te houden in afwachting van een nieuwe politieverordening.

Tulp – gesteund door de nog jonge Gereformeerde Kerk – dient nog geen maand later bijna hetzelfde voorstel in (sluiting van zondag 4 uur tot maandagmorgen) in combinatie met een verzoek om een bordeelverbod en opnieuw wordt verwezen naar een komende politieverordening. In de in april 1906 ter tafel liggende politieverordening wordt echter niet gesproken over zondagssluiting van de herbergen en bij discussie hierover is ook slechts een deel van de gemeenteraad voor gedeeltelijke sluiting. Besloten wordt dan ook de situatie te laten zoals deze is en zondagssluiting opnieuw aan de orde te stellen als de noodzakelijkheid hiertoe gevoeld wordt. Fijntjes merkt de notulist op dat “bovendien de Burgemeester de macht heeft bepaalde herbergen te sluiten”.

Twee jaar later, januari 1908, staat het onderwerp opnieuw op de agenda (aangedragen door een aantal kerkenraden en organisaties) en ontplooit zich een uitgebreide discussie. Tulp stelt zich frontaal tegenover B&W en vele anderen voeren het woord, maar uiteindelijk zijn slechts 8 van de 17 raadsleden voor sluiting en blijft opnieuw alles bij het oude.

Gedurende zijn hele ambtsperiode wordt de burgemeester bijgestaan door de twee wethouders G.J. Wilbrink en Mr. G.J. IJssel de Schepper en gedurende de hele periode zijn de raadsleden L. Tulp en R. Dinger zeer invloedrijk. Een belangrijke wijziging in de gang van zaken binnen de gemeenteraad is het besluit vanaf 1910 de notulen van de raadsvergaderingen niet langer in de volgende vergadering voor te lezen, maar deze in gedrukte vorm aan alle raadsleden ter beschikking te stellen: “De leden zouden uit hetgeen zij dan, na afloop der vergadering kalm kunnen nalezen, zeker ook de overtuiging putten hoe noodig het is, vóór den aanvang der raadszitting zich voldoende in de stukken in te werken”. Gelijktijdig met deze verandering wordt de onpersoonlijkheid van de notulen (“een lid vraagt …”) losgelaten en worden de raadsleden bij naam in de notulen ingevoerd.

Bij zijn afscheid op 29 maart 1910 krijgt burgemeester Van Lawick van Pabst een etui met twaalf zilveren viscouverts aangeboden, een geschenk dat “steeds een eereplaats in zijn huis zal innemen”. Van Lawick van Pabst vertrekt met vrouw en zoon naar Groesbeek, waar hij het familiebezit “De Wolfsberg” (vanaf 1930 in gebruik als hotel) gaat bewonen; hier overlijdt hij op 30 december 1925, 65 jaar oud.

In 1937 wordt in de zogenaamde ‘burgemeesterswijk’ een straat vernoemd naar de voormalig burgemeester; misschien omdat het maar een kort straatje is, is slechts een deel van zijn naam verwerkt: Van Pabstlaan.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Vereniging Oud Ede  Geschiedenis van Ede, deel II: Het ambt en de gemeente Ede. - Ede, z.j.

Archieven

Auteur

Gerard van Bruggen, 2009

Gerelateerde pagina's Kennisbank