Ommeren, Ceelman van

Periode: 1560 - 1630
Plaatsaanduiding: Ede-Oost

Twee stille getuigen verwijzen in Ede naar het leven van Ceelman van Ommeren. In de Oude Kerk is nog de zerk aanwezig die ooit zijn graf afsloot en in Ede-Oost is een straat naar hem genoemd.

Een schoutenfamilie

Rond 1560 is Ceelman van Ommeren geboren, naar alle waarschijnlijkheid in Ede omdat zijn vader Derk van Ommeren dan schout van Ede is (1557-1570). Ook beide grootvaders zijn schout: Celeman van Ommeren naar wie hij genoemd is in Ede en Ambrosius Pannekoeck - de vader van moeder Johanna Pannekoeck - is dit in Barneveld. Na de hier beschreven Ceelman (schout van 1584-1628) zullen zijn zoon Goossen en kleinzoon Ceelman het schoutambt bekleden, zodat uiteindelijk 5 generaties Van Ommeren gedurende meer dan 100 jaar deze hoogste functie in het Ede van de 16e en 17e eeuw bezetten. Daarnaast is ook Ceelmans broer Ambrosius schout te Barneveld (1598-1635) en zus Truye getrouwd met Hendrik van Arler, schout te Putten. Met recht kan dus gesproken worden over een schoutenfamilie.

Slecht betaald, maar niet arm

Een schout (of scholtis) is als overheidsdienaar enigzins vergelijkbaar met de huidige burgemeester (maar dan zonder een college van wethouders), maar vervult ook de functie van commissaris van politie, brandweercommandant en notaris. Tot zijn taken behoren het handhaven van de openbare orde en veiligheid, het innen van belasting en het opstellen van allerlei contracten (testamenten, boedelscheidingen enz.).

Volgens de Geschiedenis der Neder-Veluwe (deel 1 - blz. 73) heeft de schout “zoowat voor allen en alles te zorgen en werd bovendien nog bitter slecht betaald. In plaats van tractement ontving de Schout van Ede schapen en koorn”. De inkomsten uit de functie zijn voor de Van Ommerens echter niet zo belangrijk, omdat hun bezittingen – in de Roekel, de Hondskamp te Lunteren, in de buurtschap Maanen en “huys, hoff ende bongart, staende voor in ’t dorp van Ede, met noch 8 morgen hoylants, ooc gelegen in den kerspel van Ede in Maenderbroec” - voldoende opbrengen om ruim te leven en daarbij ook nog goedgeefs te zijn. Vader Derk laat bijvoorbeeld bij zijn overlijden in 1574 ƒ3000,- gulden na aan de kerk en Ceelman schenkt in 1608 ƒ100,- aan de armen.

Dat Ede veel armen kende in deze periode blijkt uit een notitie van de Edese pastoor Johan Arntz (Joannes Arnoldi) waarin hij schrijft dat in 1570 Ede 107 huizen telt (waarvan 31 in het dorp) en dat een groot deel der landerijen is bedekt met stuifzand. Bovendien is de streek enkele jaren achtereen door een zware epidemie geteisterd, waardoor de bevolking sterk is afgenomen. De grond is schraal en de buurten zijn dunbevolkt met kleine boerderijen.

Buurtmeester

Dat in Ede een straat vernoemd is naar Ceelman van Ommeren vindt zijn reden niet in de eerste plaats in het feit dat hij 44 jaar schout van Ede was, maar “Daar deze weg van de Buurt Ede-Veldhuizen afkomstig is menen wij, dat het wenselijk is de herinnering aan deze oude instelling levendig te houden. Aanvankelijk vonden wij de naam Buurtmeesterweg wel geschikt, doch de Werkcommissie voor de Toponymie van de Studiekring van de Veluwe stelt voor de weg te noemen naar een man van groot belang in de buurt Ede-Veldhuizen, de schout uit het geslacht van Ommeren, die van 1611 tot 1636 buurtmeester was, nl. Ceelman van Ommeren” (voorstel B&W, overgenomen door de gemeenteraad op 26-11-1953).

Aangezien op de grafzerk van Ceelman en zijn ouders duidelijk te lezen valt dat hij is overleden op 21 februari 1630, moet het genoemde jaartal 1636, dat in de toevoeging “Buurtmeester 1611-1636” ook op de toenmalige straatnaamborden is vermeld, op een vergissing berusten. In het advies van genoemde Werkcommissie (10-10-1953) wordt dit als zodanig ook niet vermeld, maar staat: “In 1611 werd Ceelman van Ommeren buurtmeester, in 1636 bekleedde Goossen van Ommeren die functie”. De vergissing is duidelijk; 1611 is wel het begin, maar 1636 niet het eind. Of Goossen is al eerder benoemd (en niet terug te vinden in de bronnen), of er is gedurende enkele jaren een buurtmeester tussen vader en zoon opgetreden.

Ruzie in de buurt

Op 15 juli 1600 bezoekt Ceelman van Ommeren samen met Carel van Arnhem het gebied de Sijsselt om een einde te maken aan de geschillen tussen bewoners van de buurten Ede-Veldhuizen en Maanen met betrekking tot het gebruiksrecht van de Sijsselt. De bewoners van Maanen beweren dat de grenzen in hun voordeel moeten worden omgezet (en vinden Carel van Arnhem aan hun zijde), maar de geërfden (grondeigenaren) van Ede-Veldhuizen willen van geen grenswijziging weten. Regelmatige conflicten zijn het gevolg - werk voor schout Ceelman! - en pas in 1645 wordt de buurt Ede-Veldhuizen in het gelijk gesteld.

Staat en kerk

Ceelman van Ommeren leeft in de periode waarin voor Ede de aansluiting bij de hervorming plaatsvindt. Hij is acht jaar als in 1568 op last van Alva een onderzoek ingesteld wordt naar eventuele ketterij in Ede. Ook zijn vader Diederick van Ommeren moet voor de commissie verschijnen en de vraag beantwoorden of hij “kerkschenders en beeldenbrekers” kent.

De overgang naar de Reformatie wordt zichtbaar als in 1572 de beelden en dergelijke uit de kerk verwijderd worden en in 1581 heeft Ede een predikant: Lambertus Brinxius; de dominee moet echter vanwege een Spaanse overval uit Ede wegvluchten. Ceelman is al tot schout benoemd als Gelderland in 1589 officieel voor de 'gereformeerde religie' kiest en in 1590 alle troepen van de Veluwe zijn verdwenen en de rust terugkeert.

Als schout heeft Ceelman in kerkelijke zaken een belangrijke vinger in de pap; van scheiding tussen kerk en staat is geen sprake. In 1597 wordt de Edese predikant Sonnius in Zutphen beroepen en hoewel deze de overstap wel wil maken, wil de kerkenraad hem niet laten gaan. In de kwestie die hieruit voortvloeit, verklaart schout Ceelman van Ommeren dat “Sonnius bij eventueel vertrek naar Zutphen meer ergernis in Ede zou geven, dan dat hij in Zutphen stichting kon brengen”.

Tachtigjarige oorlog

In 1624 wordt Ede opnieuw door Spaanse troepen overvallen en 16 huizen in Ede en 7 boerderijen op Veldhuizen worden door brand verwoest. De geschiedenis van Ede (deel 1 – blz. 72) schrijft : “Deze schade en de mishandelingen en de rooverijen, maakten den inval der Spanjaarden een ware ramp voor de Edenaren”. De overlevering vertelt dat de troepen verdreven zijn door het blazen van het Wilhelmus; feit is dat dominee Wyntgens vanwege dit vertrek der troepen op 27 februari “een vasten- en danckseggesdach” houdt in de kerk van Ede.

De Spanjaarden keren in 1629 echter nog één keer terug als zij op doortocht van Brabant naar Utrecht zijn. Weer is Ede het toneel van verwoesting en wreedheid en de schade is dusdanig dat de Gelderse Staten enkele maanden vrijstelling van belasting verlenen.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Bruggen, A.G. van  Hier rust ... niemand. Onderzoek naar de grafzerken in de Oude Kerk te Ede. - Ede, 2001
  • Bruggen, A.G. van  In gedachtenis. Portretten van predikanten van de Hervormde Gemeente Ede. - Ede, 2004
  • Nijdam, Jaap  De buurt Ede-Veldhuizen. - Ede, 1988
  • Schreuders, L.C.  Rond de grijze toren. 1000 jaren geschiedenis uit de boeken van de buurt Ede-Veldhuizen. - Ede, 1958
  • Geschiedenis van Ede. Deel 1: Het kerspel Ede. - Ede, 1933
  • Verbeek jr., D., T. Pluijm en H. van Gortel  De geschiedenis der Neder-Veluwe - Ede en Omstreken. - Barneveld, 1888-1890

Archieven

Auteur

Gerard van Bruggen, 2007

Gerelateerde pagina's Kennisbank