Op ten Noort, burgemeester Jhr. F.S.

Periode: 1896 - 1905
Plaatsaanduiding: Ede

In de openbare gemeenteraadsvergadering van 13 februari 1896 worden geen notulen gelezen. Wel worden twee ingekomen stukken voor kennisgeving aangenomen.

Ten eerste is er het besluit van de Commissaris der Koningin van de provincie Gelderland dat bij Koninklijk Besluit van 4 februari 1896 met ingang van 13 februari de heer F.S. op ten Noort is benoemd tot burgemeester van Ede (met eervol ontslag als burgemeester der gemeente Alblasserdam en Oud-Alblas). Het tweede ingekomen stuk is een kennisgeving van Jonkheer A.W. van Borssele (twee weken eerder afgetreden als burgemeester van Ede) dat hij verhinderd is de vergadering bij te wonen.

De oudste wethouder J.D. van de Craats spreekt de nieuwe burgemeester toe, overhandigt hem 'de onderscheidingsteekenen zijner waardigheid' en verzoekt hem vanaf de voorzitterstoel de vergadering verder te willen leiden. Op ten Noort bedankt voor de goede woorden en is zeer ingenomen met de benoeming in Ede, een benoeming waarvoor hij “H.M. de Koninginweduwe Regentes, wier vertegenwoordiger in de Gemeente hij is” dankbaar is. Hij belooft zijn beste krachten te geven en beveelt zich aan in de medewerking van de raad.

Verheugd is de veertigjarige burgemeester in de secretaris een oude vriend te hebben teruggevonden – deze oude vriend is de ongehuwde vijftigjarige heer T.C.W.D. van Nes die van 1880 tot 1907 deze post vervult, en samen met drie zusters een huis aan de Grotestraat bewoont.

Afkomst en loopbaan

Florent Sophius wordt op 4 januari 1856 in Zutphen geboren en genoemd naar zijn vader. Vader Florent Sophius is officier van justitie en procureur-generaal bij het gerechtshof in Gelderland en getrouwd met Dina Adriana Nederburgh, uit welk huwelijk vijf kinderen worden geboren (één dochter en vier zoons waarvan Florent Sophius de jongste is).

Het geslacht Op ten Noort woont al generaties lang in Zutphen en bezit enkele plantages in Suriname (Florent Sophius wordt later eigenaar van de plantage Vossenburg). De grootouders van vaderszijde zijn vertegenwoordigers van de adellijke families Op ten Noort, Brantsen, Van Heeckeren en Schimmelpenninck van der Oye en moeder is een kleindochter van raadspensionaris Laurens Pieter van de Spiegel (1737-1800).

De ambtelijke loopbaan van de toekomstige burgemeester van Ede begint in Ede. Op 27 juni 1878 besluiten Burgemeester en Wethouders van Ede namelijk “op daartoe gedaan voorstel ... den heer Florent Sophius op ten Noort te benoemen tot onbezoldigd commies ter Secretarie”.

Twee jaar later vertrekt hij naar Vianen, om vandaar naar Brielle te verhuizen, waar hij in 1881 als gemeentesecretaris wordt benoemd. Op 24 april 1883 trouwt hij in Rotterdam met Antoinette Jeane van Bemmelen, dochter van de directeur van de Rotterdamse dierentuin Blijdorp. Uit dit huwelijk worden drie kinderen geboren, waarvan de eerste (ook Florent Sophius geheten) slechts drie maanden oud wordt.

In oktober 1886 vertrekt het echtpaar Op ten Noort naar Alblasserdam. Jonkheer Op ten Noort is benoemd tot burgemeester van Alblasserdam en Oud-Alblas. Hij vervult deze functie tien jaar tot hij in 1896 benoemd wordt als burgemeester van Ede.

Afsplitsing Bennekom

Twee maanden na zijn installatie vindt de eerste raadsvergadering onder leiding van Op ten Noort plaats. Het belangrijkste agendapunt is het verzoek van Bennekommer A.C. van Daalen c.s. aan Gedeputeerde Staten om “maatregelen te willen nemen om te geraken tot eene afscheiding van het dorp Bennekom van de gemeente Ede”. Dit verzoek is gedaan omdat de Bennekommers vinden dat hun belangen door het bestuur van het uitgestrekte Ede, “met welker andere deelen zij geen enkel belang gemeen hebben”, worden achtergesteld.

Bij de gemeenteraad (waarin drie Bennekommers zitting hebben, zonder ooit geklaagd te hebben) zou met betrekking tot de belangen van Bennekom sprake zijn van “veronachtzaming en tegenwerking”, terwijl Bennekom het meest welvarende deel van de gemeente is en dus ook aan belasting het meest opbrengt.

Het gemeentebestuur van Ede is van mening dat “de bezwaren in hoofdzaak ongegrond en de betoogen van adressanten voor eene afscheiding … uiterst zwak zijn” en adviseert GS dan ook dit verzoek tot een “maatregel van zoo ingrijpenden aard” af te wijzen. Gedeputeerde Staten van Gelderland neemt het advies van het gemeentebestuur van Ede over en wijst het verzoek van Bennekom af.

Burgemeester

Burgemeester Op ten Noort leidt Ede de twintigste eeuw binnen, de eeuw waarin Ede onherkenbaar zal veranderen. De Geschiedenis van Ede schrijft het volgende:

Als Burgemeester Van Borssele in 1896 heengaat, doet, met zijn opvolger Burgemeester Op ten Noort, ook de nieuwe tijd zijn intrede. Niet dat ook tevens de Raad verandert; nog menig jaar zal deze de lijn van vroeger doortrekken; heel zuinig, zoveel mogelijk beknibbelen op de noodige uitgaven, tegenhouden zoveel als ‘t kan, de noodige verbeteringen. Maar de nieuwe Burgemeester zet door. Als symbool van de nieuwe richting komt er een nieuw Gemeentehuis; niet een verbouwd oud gebouw, maar een nieuw en ruim Gemeentehuis, een teeken, dat de Gemeente de misère van vroeger te boven is.

Na ingebruikname van het nieuwe gemeentehuis in maart 1899 wordt op 27 april de eerste raadsvergadering hier gehouden en voor Op ten Noort is dit de officiële opening “nu Gij, vertegenwoordigers der bevolking, daarin Uwe eerste openbare vergadering houdt”. Toekomstgericht vervolgt de burgemeester in zijn toespraak aan het begin van deze eerste vergadering:

“Zoo zien wij het oude langzamerhand verdwijnen en plaats maken voor het nieuwe en zoo verwachten wij dat ook voor deze gemeente een nieuwe tijd, een tijd van vooruitgang zal aanbreken die toevallig juist samentreft met de ingebruikneming van het nieuwe gemeentehuis. De verwachtingen zijn hoog gespannen; Ede komt aan nieuwe verkeerswegen te liggen door den aanleg van de locaalspoor Nijkerk-Ede met een vermoedelijken zijlijn Lunteren-Harskamp, hoogstwaarschijnlijk zullen Ede en Veenendaal door een stoomtram verbonden worden en men is reeds druk bezig met het in orde maken van het permanent schietkamp voor Infanterie te Harskamp, eene inrichting die een geheele streek tot bloei kan brengen.

Alles getuigt van een ontwakend leven en van vooruitgang en terecht mag de verwachting hoog gespannen zijn. Maar zal Ede werkelijk profiteren van de kansen die het geboden wordt dan zal dit, in de eerste plaats van U, M.H.! afhangen en zult Gij te zorgen hebben dat deze gemeente ook datgene aanbiedt wat haar aantrekkelijk maakt voor hen die er zich denken te vestigen.”

Bij de festiviteiten rond de ingebruikname is ook een dag gereserveerd voor bezichting van het nieuwe gemeentehuis door het publiek: zondag 7 mei! Met als argument de zondagsrust wordt op verzoek van enkele raadsleden deze dag verschoven naar dinsdag 9 mei; om de ambtenaren niet te veel te hinderen echter slechts ‘s middags van 4 tot 6 uur.

Als eigenaar van bezit in de buurt Ede-Veldhuizen is Op ten Noort geërfde van de buurt Ede-Veldhuizen; om belangenverstrengeling te voorkomen zal hij zich niet met het bestuur van de buurt hebben ingelaten. Wel heeft hij initiatief genomen om te komen tot de oprichting van het VVV en was hij bestuurslid van de Vereniging Volksweerbaarheid.

Schietkamp en garnizoen

"Persoonlijke bemoeiingen van den Burgemeester hebben invloed op de vestiging van ’t Schietkamp te Harskamp en van het Garnizoen te Ede”, aldus de Geschiedenis van Ede.

Na een voorbereidingsperiode van ongeveer een jaar, vallen op 1 september 1899 de eerste schoten op het terrein bij Harskamp dat verder bekend wordt als Infanterie Schietkamp (ISK) en daarom wordt deze datum als oprichtingsdatum beschouwd. Het begint echter in 1896 (het jaar waarin Op ten Noort naar Ede komt) als een commissie de opdracht krijgt om een terrein voor een ISK te zoeken. Lid van deze commissie is o.a. J.F. de l’Espinasse, kapitein bij de Geniestaf en geboren in Barneveld in 1855. Waarschijnlijk was hij bevriend met Op ten Noort; in 1901 woont De l’Espinasse zelfs enige tijd op huis Kernhem (Dorp 354). In 1906 overlijdt hij in Ede, na korte tijd in Amsterdam gewerkt te hebben als directeur van de stadsreiniging.

In 1899 is het ministerie van Oorlog ook op zoek naar een vestigingsplaats voor een garnizoen. Uit een aantal plaatsen is de keuze in eerste instantie beperkt tot Apeldoorn en Ede, vanwege de grote hoeveelheid woeste grond. Tegenover het voordeel voor de gemeente stond de eis van de minister dat de gemeente de terreinen moest opkopen en gratis ter beschikking stellen en zorgen voor de nodige infrastructuur. Vanwege de aanwezigheid van Het Loo wordt eerst met Apeldoorn onderhandeld; hoewel de burgemeester het garnizoen graag zag komen, is de meerderheid in de Apeldoornse raad tegen.

Nu is Ede aan de beurt. De correspondentie dateert van juli 1900 en maakt duidelijk dat er eerder mondelinge contacten geweest tussen de minister en burgemeester Op ten Noort. De voorwaarden die in Apeldoorn tot een ‘nee’ leidden, ontbreken in Ede: geen verzoeken om bijdragen, ook geen opgesomde voordelen. Op ten Noort is enthousiast en zet haast achter de zaak. In september vinden buurtspraken (buurtvergaderingen) plaats in verband met verkoop van de gronden die eigendom zijn van de buurten Maanen en Ede-Veldhuizen. Op beide vergaderingen zijn de burgemeester en kapitein De l’Espinasse aanwezig als onderhandelaar namens de minister en als vertegenwoordiger van de Genie. De buurt Maanen heeft de meeste moeite met verkoop van gronden, maar gaat met een krappe meerderheid toch akkoord. De gronden van Ede-Veldhuizen worden gedeeltelijk gekocht en gedeeltelijk in erfpacht genomen.

De rol van Op ten Noort in deze zaak is groot. In de eerste plaats heeft hij de hele procedure buiten de gemeenteraad kunnen houden, wetende dat het plan daar - evenals in Apeldoorn - zou sneuvelen. Breman schrijft: “Zijn gedrag moet gezien worden in het licht van de slechte verhoudingen in het gemeentebestuur”.

De komst van ISK en garnizoen heeft meerdere ontwikkelingen in Ede in gang gezet. Na veel discussie komt er eindelijk een gasfabriek (vele plaatsen gingen Ede voor) met als eis dat de militaire gebouwen worden aangesloten. Nieuw woonwijken worden gebouwd en de spoorlijn naar Barneveld wordt aangelegd (zonder echter de door Op ten Noort genoemde zijlijn Lunteren-Harskamp). Opmerkelijk is in de Geschiedenis van Ede de opmerking in het verslag van de werkzaamheden van burgemeester Op ten Noort: “Ook in de verhouding van de Gemeente tot haar ambtenaren komt verbetering.”

Afscheid

Op enig monent in 1904 valt het besluit Ede te verlaten. Op 2 augustus opent Op ten Noort de raadsvergadering met de mededeling dat “het adres ontvangen van leden van den Raad om terug te komen op zijn voornemen om de gemeente te verlaten door hem zeer wordt gewaardeerd”, maar dat hij door omstandigheden niet eerder in de gelegenheid was zijn voornemen bekend te maken.

Waarschijnlijk is er enige geruchtvorming ontstaan, want ook verklaart de burgemeester “de meening die naar hij gehoord heeft, bestaat, tegen te spreken als of eenige minder aangename verhouding tusschen den Raad en zijnen Voorzitter aanleiding heeft gegeven tot het opvatten van dit voornemen; gedurende de 8 jaren van zijn verblijf in de gemeente heeft hij steeds de meest aangename zamenwerking ondervonden”. In de Arnhemsche Courant van 3 augustus valt te lezen dat “wanneer de raad iets afstemt is dat om de zaak en niet om de persoon”.

Burgemeester Op ten Noort trekt zijn besluit om het burgemeesterschap neer te leggen in en blijft. Echter niet voor lang, want in maart 1905 eindigt zijn burgemeesterschap.

Tijdens de vergadering van 24 februari is er een flinke discussie met betrekking tot de benoeming van een administrateur aan de nieuwe gasfabriek. In de notulen wordt zelfs gesproken over een motie van afkeuring. Bij de ingekomen stukken van de raadsvergadering van 31 maart is het besluit van de Commissaris der Koningin in Gelderland dat hij per 1 april eervol ontslag verleent aan de Heer F.S. Op ten Noort.

Of deze twee zaken verband met elkaar hebben is niet duidelijk, maar het is wel opvallend dat er geen raadsvergadering belegd wordt waarop afscheid genomen wordt van Op ten Noort. Op de vergadering van 31 maart wordt een gewone agenda afgewerkt en slechts aan het eind neemt de burgemeester het woord “om afscheid te nemen van den Raad, het dagelijksch bestuur en de verschillende ambtenaren”. Deze afscheidswoorden, die verder niet genotuleerd zijn, worden beantwoord door de oudste wethouder en één der raadsleden.

F.S. op ten Noort vertrekt vanuit Ede naar Zwollerkerspel, vanwege een benoeming als inspecteur van Volksgezondheid en Drankbestrijding voor de provincies Friesland, Groningen en Drenthe. Later vestigt het gezin Op ten Noort zich op huize ’t Maerland in Oosterbeek; de naam van dit huis verwijst naar de tijd in Brielle waar zij woonden aan het Maarland noordzijde 50.

Nog één keer verhuist het ouder wordende echtpaar Op ten Noort-van Bemmelen. In 1919 keren zij terug naar Ede en vestigen zij zich aan de Stationsweg. Hier brengen zij hun laatste jaren door. De oud-burgemeester overlijdt op bijna 72-jarige leeftijd op 3 december 1927 en zijn vrouw overlijdt zeven weken later op 21 januari 1928.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Breman, G.  Vooruitgang moet er zijn, anders is het een doode boel – Ede en de komst van het garnizoen. - Bennekom 1989
  • Crebolder, Gerjan en Evert van de Weerd  Ede in Wapenrok, door Gerjan Crebolder en Evert van de Weerd. - Barneveld, 2005
  • Vereniging Oud Ede  Geschiedenis van Ede – deel II: Het ambt en de gemeente Ede. - Ede, z.j.

Archieven

Auteur

Gerard van Bruggen, 2009

Gerelateerde pagina's website