Vries, burgemeester Charles Bavius de

Periode: 1757 - 1816
Plaatsaanduiding: Ede

 

Op de lijst Schouten, Maire en Burgemeersters (eveneens een item in deze Kennisbank) is de eerstgenoemde Charles Bavius de Vries, die rond 1804 als secretaris van het ambt Ede wordt benoemd. Hoewel hij zijn stukken als ‘secretaris’ ondertekent, komt ook vaak de term ‘schout’ voor. Later voert De Vries de titel maire, gevolgd door de aanduiding burgemeester. Begin 1814 wordt hij 'wegens onbekwaamheid' afgezet.
In alle jaren van zijn politieke loopbaan oefent C.B. de Vries echter tevens zijn vak uit: notaris.

Afkomst en opleiding

Charles Bavius wordt op 25 september 1757 in IJsselstein gedoopt als zoon van Jan Bavius de Vries en Maria Catharina Cores. Dit echtpaar is kort hiervoor teruggekeerd uit Suriname, waar vader de Vries een aantal plantages in eigendom heeft: in de plantagenamen Vrieshoop, Vriesenburg en Coresburg klinken de familienamen door.

Bij terugkeer naar Nederland heeft vader Jan (Johan) Bavius het bezit in beheer overgelaten aan zijn zwager Willem Hendrik van Steenbergh. De militair Van Steenbergh arriveert in 1744 tegelijk met Jan Bavius de Vries in de kolonie Suriname, trouwt hier en verwerft eveneens een aanzienlijk plantagebezit. Alleen de eerste jeugdjaren brengt Charles Bavius door in IJsselstein, aangezien het gezin in 1762 verhuist naar Harderwijk, waar vader De Vries burgemeester wordt en in 1768 moeder De Vries-Cores overlijdt.

Een oudere broer van Charles Bavius wordt in navolging van zijn vader ook burgemeester te Harderwijk. In Harderwijk wordt De Vries jr. op 17 september 1775 samen met de uit Meppel afkomstige H.N.F. Reiziger als student ingeschreven aan de afdeling rechten van de Harderwijkse Hogeschool. Deze twee studenten promoveren ook samen in juni 1780 tot meester in de rechten.
Intussen is Charles Bavius in mei 1777 op belijdenis aangenomen als lidmaat van de Hervormde Kerk te Harderwijk; hij woont dan 'bij zijn Heer Vader in de Luttekepoortstraat'.

Loopbaan

Gedurende de periode 1780-1793 verblijft De Vries in Harderwijk. Bekend is dat in 1778, als in Harderwijk een afdeling van de 'Oeconomische Tak'(een genootschap met als doel landbouw en industrie op een hoger peil te brengen) wordt opgericht, hij hier – samen met zijn broer - lid van wordt. Hoewel veel patriotsgezinde notabelen van Harderwijk lid worden, kan niet zonder meer gezegd worden dat De Vries een patriot in de politieke zin is, aangezien pas enkele jaren later het patriottisme zijn politieke lading krijgt.

In zijn Harderwijkse jaren vervult Charles Bavius de Vries het ambt van (substituut)ontvanger. In het Ermelose resolutieboek komt hij in deze hoedanigheid voor in 1787 en 1788, terwijl in 1793 genoteerd staat: 'heeft de afgegane Ontfanger Meester C.B. de Vries rekening gedaen wegens de ontfang der verponding over de jare 1790'.

In februari 1794 wordt Charles Bavius de Vries voorgedragen als lid van de magistraat te Hattem. Hoewel er in Hattem veel bezwaren bestaan tegen magistraatsleden die buiten Hattem wonen, wordt De Vries toch benoemd. Zijn aanbeveling vermeldt namelijk dat zijn vader ('de schatrijke Harderwijkse burgemeester Johan Bavius de Vries') hem kon helpen zich in Hattem te 'etabliseren'. Dit gebeurt, want op 16 april 1794 wordt hij in het lidmatenregister van Hattem ingeschreven: met attestatie ingekomen van Harderwijk.

Het is een enerverende periode die De Vries in Hattem doorbrengt. De patriot Herman Willem Daendels - slechts enkele jaren jonger dan hijzelf - zal ook De Vries niet onbekend geweest zijn. Door de komst van de Fransen had Daendels inmiddels een landelijke functie, maar zijn broer vervulde bij de komst van Charles Bavius nog een rol in het Hattemse stadsbestuur. Welke rol De Vries precies in Hattem heeft vervuld, is niet duidelijk. In ieder geval bezet hij geen bestuurszetel na de omwenteling in 1795 (Bataafse Revolutie).

Het lijkt erop dat hij vanuit Hattem teruggekeerd is in zijn oude functie van ontvanger, want in december 1797 staat hij (aldus opnieuw het resolutieboek van Ermelo) op de voordracht als ontvanger, maar wordt hij niet gekozen. Een jaar later – 1798 – wordt echter opgemerkt dat de ontvanger C.B. de Vries dit 4 jaar is geweest en daarom per jaar een bedrag van ruim 23 gulden aan ‘burger’ C.B. de Vries moet worden gerestitueerd.

Naar Ede

Na het overlijden van ambtssecretaris Jan Frederik Ammon (zoon van E.J. Ammon – laatste schout te Ede 1770-1795) in november 1803, wordt Charles Bavius de Vries in deze functie benoemd. Het is een roerige tijd (Franse tijd) en bestuurssamenstellingen en functiebenamingen veranderen aan de lopende band. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat in de Geschiedenis van Ede en elders C.B. de Vries als schout wordt aangeduid, terwijl hij zichzelf in deze periode meestal als secretaris aanduidt.

Bij de Bataafse omwenteling in 1795 was officieel de schoutenfunctie opgeheven en vervangen door municipaliteitssecretarissen en gekozen richters (‘vrederechter’). Bij de staatsgreep in 1801 wordt de schout voor korte tijd weer in ere hersteld en tekent De Vries als ‘scholtus des Ambts Ede’.

Wanneer de benoeming van De Vries ingaat, is niet te achterhalen, maar dit moet in de eerste maanden van 1804 zijn geweest. Op 6 april wordt hij namelijk als lidmaat van de Hervormde gemeente in Ede ingeschreven, met een attestatie die op 4 april in Hattem is afgegeven. Het eerste door hem geschreven verslag van een vergadering van het Ambtsbestuur heeft als datum 7 mei 1804. In dit verslag schrijft De Vries dat ‘aan den secretaris alles, wat tot ’t secretaris deses Ambts behoort, zal worden ter hand gesteld, en dat daarvan de secretaris alleen de sleutel in bewaring zal hebben.’

Bestuurlijk ingewikkelde periode

De jaren die C.B. de Vries in Ede leeft en werkt, vallen in een bestuurlijk ingewikkelde periode. De benoeming als ambtssecretaris valt binnen de Bataafse Republiek. Ede wordt vanaf 1802 bestuurd door een Municipale Raad onder leiding van de gekozen richter Gerrit Jan Roelofsen.

Bij de inlijving van Nederland bij Frankrijk (1810) verandert er veel. Het ambt Ede verdwijnt en wordt vervangen door het Canton Ede, behorend bij het Arrondissement Arnhem binnen het Departement van de Boven-IJssel. De hele ambtelijke structuur verandert en de ambtelijke taal wordt Frans. C.B. de Vries wordt benoemd tot maire van het canton Ede en geeft als zodang leiding aan een gemeenteraad van twintig personen.

Onder de bestuursleden (raadsleden) bevinden zich de bekende Derk Brouwer, Gerrit Jan Roelofsen, Hendrik Mulder en Hermanus Theodorus Prins, die allen ‘in handen van’ (ten overstaan van) De Vries de volgende eed afleggen: “Ik zweer gehoorzaamheid aan de constitutie van het Rijk en getrouwheid aan den Keizer”.

Als maire van Ede heeft De Vries er voornamelijk voor te zorgen dat er voldoende middelen en soldaten geleverd worden. Veel belastinggeld moet naar de centrale overheid en veel soldaten moeten geleverd, ingekwartierd en verzorgd worden. Geen wonder dat deze onderwerpen op alle vergaderingen aan de orde komen.

In 1811 brengt Napoleon een bezoek aan Nederland en als hij op 31 oktober van Apeldoorn (Het Loo) naar Arnhem reist, zal hij Ede aandoen. Uiteraard wil Ede zich van zijn beste kant laten zien en daarom wordt iedereen opgetrommeld om acte de presence te geven. Wegen worden in orde gemaakt en een ereboog opgericht.

Als iedereen op de bewuste dag klaarstaat om de Keizer te ontvangen, volgt een grote teleurstelling. Zonder enig bericht kiest het gezelschap plotseling voor de kortere route over de Woeste Hoeve en het gezelschap kan onverrichter zake naar huis terugkeren. Merkwaardig is dat bij deze geschiedenis niet C.B. de Vries als maire optreedt, maar J.J. Kleinhoonte.

Twee maanden later – 1 januari 1812 – wordt het ambt Ede gesplitst in vier mairieën: Ede, Bennekom, Lunteren en Otterlo. Charles Bavius de Vries blijft maire van de mairie Ede (1726 zielen) en de 40-jarige Jan Jacob Kleinhoonte wordt adjunct-maire. Verder zijn er nu slechts acht bestuursleden omdat het dorp minder dan 2500 inwoners telt. Deze situatie van zelfstandige dorpen duurt tot 1 januari 1818 als de vier weer samengevoegd worden tot de ene gemeente Ede.

Als in 1813 Napoleon verslagen wordt en op 30 november Willem I terugkeert in Nederland, verandert er aanvakelijk niets. Wel richt de Gouverneur van Gelderland – Baron Van Heeckeren van Kell (heer van Kernhem!) – zich op 21 december 1813 tot de Gelderse gemeenten met het schrijven dat “in aanmerking nemende dat de benamingen van Maire en Adjunct maire weinig voegzaam zijn onder het Nederlandse Bestuur (…) besluit de voormalige Maires en Adjunctmaires te gelasten als nu aan te nemen de titulature van Burgemeesters en vice Burgemeesters”. Op grond van dit schrijven is dus Charles Bavius de Vries de eerste burgemeester van Ede.

Gehuld in mist

De titel burgemeester heeft De Vries slechts kort gevoerd. Begin 1814 valt het doek voor hem (evenals voor zijn adjunct Kleinhoonte) en op 12 maart van dat jaar vindt overdracht van werkzaamheden en stukken plaats aan Reinder Burggraaf, de Edese arts die het burgemeesterschap tijdelijk op zich neemt tot in 1818 (samenvoeging van de vier dorpen) Mr. E.D. van Meurs wordt aangesteld als schout / burgemeester van Ede.

De Geschiedenis van Ede schrijft hierover het volgende:

Daar Kleinhoonte z.i. onrechtvaardig uit zijn ambt was ontzet, diende hij een verweerschrift in, waarna hij een dankbetuiging ontving voor de bewezen diensten. Dit verweer deelt onbekende feiten mede uit dezen moeilijken tijd.

Kleinhoonte schreef: ‘Bij de eerste inkwartiering der Pruisische troepen bij het overgaan van Arnhem, was de Vries (volgens getuigenis door de huzaren zelf aan mij gedaan) zoo dronken als een zwijn, dat zijn hun eigen woorden. Hierdoor ontbrak aan een veldmacht het eten.

Den tweeden dag der inkwartiering, des middags om vier uur aan zijn huis komende om hem te assisteeren, vond ik hem niet daar, maar in een kamer bij geringe lieden bezig met het drinken van jenever. Ik vermaande hem toen naar zijn huis te komen en nuchter te blijven onder bedreiging, dat ik hem niet wilde assisteeren. Dit werd toen voor een oogenblik opgevolgd, maar bij den commandeerenden officier gerequireerd wordende om hem te spreken over het gebrek aan eten voor de veldmacht, en bovendien dat tot zijn straf zes man in executie zouden gelegd worden, heeft hij niet alleen zijn huis, maar ook het dorp verlaten, zonder enige orde te stellen, en liet mij alleen in zijn huis, waarop ik, geen orde in eens anders huis kunnende geven, mij naar het mijne begaf’.”
 

Nog enkele situaties waarbij De Vries wegvluchtte brengt Kleinhoonte te berde, eindigend met de verzuchting: “Wat had hij zich toen te verbergen indien zulks niet was om zijn beschonkenheid niet aan de dag te leggen?”

Bovenstaand citaat is de enige verwijzing naar het alcoholprobleem dat De Vries uiteindelijk ten val brengt. In de bronnen is hierover niets te vinden. Onderzoek buiten het gemeentearchief van Ede zal waarschijnlijk meer licht op de zaak kunnen werpen.

Een tweede onduidelijkheid in het leven van De Vries is zijn financiële positie. Zoals hiervoor genoemd stamt hij uit een welgestelde familie en daarvoor zijn ook aanwijzingen te vinden. In een boek over Hattem wordt zijn vader “de schatrijke Harderwijkse burgemeester” genoemd en bij de overdracht van stukken in 1814 bevindt zich een lijst met schuldeisers waarop de grootste bedragen achter de naam van C.B. de Vries staan.

Merkwaardig is echter een noot in ‘Het belang der gemeente zeer ter harte’ van Erik Kamerbeek (pag.28): “De jurist De Vries was als ambtenaar werkzaam geweest in Suriname. Geheel berooid kwam hij in Nederland aan, nadat de Nederlandse koloniën waren overgenomen door de Britten.”

In de door Kamerbeek genoemde bron is hierover echter niets te vinden. Wel schrijft De Vries zelf als hij in 1810 aan het provinciebestuur een aantal gegevens over zichzelf moet opgeven: “Je suis malheureux parceque tous mes biens sont dans la Colonie de Suriname” , hetgeen het bovenstaande zou kunnen bevestigen.

Tenslotte is er een opmerkelijk feit op het relationele vlak. Als in december 1816 Charles Bavius de Vries in Ede overlijdt, wordt door de aangevers als adres huis no. 109 opgegeven (een huis aan de huidige Grotestraat, tussen Amsterdamseweg en Molenstraat). Vier dagen eerder is in ditzelfde huis op 59-jarige leeftijd overleden Hendrikje van der Veen, weduwe van Paulus Biltstein.

Heeft timmermansbaas Hermanus Oudhuis op dit adres een soort pension? Merkwaardig is echter dat genoemde Hendrikje van der Veen in dezelfde periode in Ede arriveert als De Vries (voorjaar 1804), waarbij zij afkomstig is uit … Harderwijk. Is hier meer aan de hand dan een toevalligheid?

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Geschiedenis van Ede. Deel 2: Het ambt en de gemeente Ede. - Ede, 1933
  • Verstegen S.W.,  Gegoede ingezetenen - jonkers en geërfden op de Veluwe tijdens Ancien Regime, Revolutie en Restauratie (1650-1830). - Maarssen, 1989

Archieven

Auteur

Gerard van Bruggen, 2009

Gerelateerde pagina's Kennisbank