Tolheffing

Periode: Middeleeuwen tot 1918
Plaatsaanduiding: Ede

 

Rijkstol onder aan de Arnhemseweg in Ede, ca. 1895 (GA13868)
Rijkstol onder aan de Arnhemseweg in Ede, ca. 1895 (GA13868)

De meest recente tolwegen in de gemeente Ede werden ingesteld met de komst van verharde wegen. Rijks-tollen vanaf 1828 waren er op de Rijksweg van Amsterdam via Amersfoort en Ede naar Arnhem. Toen de verbinding tussen Wageningen en Nijkerk in 1848 was verhard kwamen er gemeentelijke tollen in Ede. Toch zijn er aanwijzingen dat er op de aloude Hessenweg tussen Planken Wambuis en Zuid-Ginkel tol werd geheven. Dit zou in de Middeleeuwen zijn ontstaan, en bestond nog in de 17e/18e eeuw. Het tolrecht was voorbehouden aan de steden, zoals Arnhem en Wageningen. Men noemde deze tollen  de ‘dagelijksche tollen’.

Zandwegen

In de 19e eeuw kende Ede eigenlijk alleen maar zandwegen. In het dorp was deels wel wat grint gestrooid, maar de overige wegen waren pure zandwegen. Het onderhoud van de wegen was oorspronkelijk een taak van de buurten, die ook eigenaar waren van de wegen. Dit onderhoud beperkte zich tot het dichten van gaten en diepe sporen. Waren wegen te mul of te modderig, dan weken de voerlieden een paar meter uit, tot ook zo’n spoor onbegaanbaar werd. Vooral op de heide ontstonden zo ‘wegen’ van zeer grote breedte. Door de nieuwe Gemeentewet kregen de gemeenten de taak om de wegen te onderhouden, maar dat veranderde niets aan de werkwijze, noch aan de kwaliteit van de zandwegen.

Straatwegen

Op last van Koning Willem I werd er in Nederland een net van straatwegen aangelegd. Ede werd opgenomen in de verbinding Amsterdam-Amersfoort-Arnhem. Deze in 1828 aangelegde weg was verhard met keien en liep dwars door het dorp. Het Rijk stelde de gemeente aansprakelijk voor het onderhoud in de kern van Ede. Ondanks veel protesten duurde het tot 1857 voordat de gemeente van deze kostenpost verlost werd. In dat jaar nam het Rijk het onderhoud voor haar rekening en werden de keien vervangen door klinkers. Op deze weg waren drie (Rijks)tollen; één op de Zuid-Ginkel, één onderaan de Paasberg/Arnhemseweg en één aan de Amsterdamseweg. Het tolhuis op de Ginkel lag schuin tegenover de Herberg Zuid-Ginkel. Het tolbord dat aan het huis bevestigd was, is te zien in het Historisch Museum Ede. Ook bij De Klomp was een Rijkstol, die in 1846 verplaatst werd in de richting van Renswoude. Dit was om de inwoners van Veenendaal zonder tol toegang te verlenen tot het station De Klomp aan de Rhijnspoorweg.

Wageningen-Nijkerk

Al in 1827 werden er plannen gemaakt voor de aanleg van een straatweg van Wageningen, via Bennekom, Ede, Lunteren en Barneveld naar Nijkerk. Daar zou de weg worden aangesloten op de straatweg van Amersfoort naar Zwolle. In 1837 kreeg de gemeente Ede toestemming om belasting (tol) te gaan heffen op de aan te leggen weg. Er werd gekozen voor grintwegen. Deze wegen bestonden niet uit ‘los’ grint, maar uit drie lagen grint van verschillende grofheid, afgewisseld met leem, dat zeventig (!) keer gewalst moest worden. In 1841 kwam de begrinding van het weggedeelte Bennekom-Ede gereed. Het duurde tot 1845 voor men het eens werd met de gemeente Barneveld over de gezamenlijke begrinding en exploitatie van het traject van Kernhem tot aan Herberg De Marsch, aan de doorgaande weg Amersfoort-Zwolle. In juli 1848 was deze weg gereed. Het zuidelijk deel van de verbinding (Bennekom-Wageningen) kwam kort daarna gereed.

Tollen

Tol aan de Barneveldseweg in Lunteren in 1900 (GA15169)
Tol aan de Barneveldseweg in Lunteren in 1900 (GA15169)

Op de Grintweg in Ede (nu Stationsweg) was tussen het station Rhijnspoorweg en het centrum al in 1841 een tol in gebruik gesteld. Alleen voetgangers konden zonder betaling passeren. Deze tol was te vinden op de hoek van de huidige Tolhuislaan.
Ter financiering van het traject Ede-Barneveld was er een lening aangegaan van 30.000 gulden. Bovendien kreeg men van het rijk en de provincie elk 6.000 gulden subsidie. Met Barneveld was overeengekomen dat er drie tollen zouden worden gebouwd, waarvan één tussen Barneveld en Nijkerk en twee op Edes gebied. Eén tussen Ede en Lunteren bij de Goorsteeg en één tussen Lunteren en Barneveld bij de Scharrenburgersteeg. De opbrengst van deze laatste tol werd gedeeld met Barneveld. Bij deze tolbomen werden drie identieke tolhuizen gebouwd. Ook nabij de gemeentegrens tussen Bennekom en Wageningen kwam een tol, waarvan de opbrengst gedeeld werd tussen Ede en Wageningen. Deze tollen werden in 1848 in gebruik genomen.
Dit alles betekende dat een reiziger tussen Wageningen en Nijkerk, over een afstand van slechts dertig kilometer, maar liefst vijf maal tol moest betalen!

Tarieven

In 1848 kostte een tolpassage tussen Ede en Barneveld voor een rijtuig op vier wielen getrokken door een paard of muilezel 7½ cent en eenzelfde rijtuig op twee wielen 5 cent. Een hond gespannen voor een kar koste 1 cent en een bereden (los) paard 2½ cent. Omdat er tekorten op de begroting ontstonden, werden de tarieven enkele malen verhoogd, tot ze in 1857 gelijk lagen aan de toltarieven op de Ede-Bennekomse Grintweg. In 1869 kwam er een extra belasting op karren met smalle wielen en werd ook het gebruik van de fiets (velocepede) tolplichtig.
De tolgaarders die werden aangesteld, kregen vrije bewoning van het tolhuis plus drie en een halve gulden per week. Hiervoor dienden zij zeven dagen in de week, dag en nacht de tol te bedienen en tol te heffen. Verder dienden zij dagelijks de weg te onderhouden. Daarnaast was de tolgaarder ook nog buitengewoon veldwachter om de regels van de tolweg af te kunnen dwingen.

Opheffing

In 1910 werd er in de gemeenteraad al gesproken over opheffing van de tollen. Met name de tol op de Stationsweg (welke inmiddels bestraat was) was een doorn in het oog van velen. Het dorp was hierdoor in twee delen gesplitst en het waren vooral de klein neringdoenden die relatief hoge kosten moesten maken. De raad stond niet afwijzend tegen afschaffing, maar de buurgemeenten Barneveld en Wageningen werkten niet mee. In 1917 benoemde de raad een commissie, die met het advies kwam de tollen af te schaffen. Hoewel dit de gemeente rond 3.000 gulden per jaar ging kosten, ging de raad akkoord.  Ditmaal werkten Barneveld en Wageningen wel mee. Op 1 september 1918 werden de laatste tollen in Ede verwijderd. De tolgaarders konden in hun woningen blijven wonen, deze tolhuizen bestaan nog steeds. Alleen het tolhuis aan de Stationsweg was zo bouwvallig dat het werd gesloopt; de laatste tolgaarder Jan van Grootheest kreeg een andere woning toegewezen. Op de plaats van het tolhuis bouwde C.J. de Cruijff (directeur van de Edesche Waterleidingmaatschappij) de fraaie villa ‘Nescio’.

Bronnen (aanwezig in het gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Historische Vereniging Oud-Bennekom, Oud-Ede, Oud-Lunteren en Gemeentearchief Ede  Langs oude en nieuwe wegen. - Ede, 2007.
  • Nijenhuis, H.J.  Ede in grootvaders tijd. - Zaltbommel, 1983.
  • Verbeek, D. en H. van Gortel  De geschiedenis der Neder-Veluwe, deel I. - Alphen aan den Rijn, 1974.

Tijdschriften

  • De Zandloper, 1979/4 en 2001/3

Documentatie

Fotocollectie

nummers gebruikt op deze pagina:

  • GA15169 Tol aan de Barneveldseweg in Lunteren in 1900
  • GA13868 Rijkstol onder aan de Arnhemseweg in Ede, ca. 1895

Auteur

Henk M. Klaassen, 2009

Logo van de Creative Commons Organisatie
To the extent possible under law, the author has waived all copyright and related or neighboring rights to the text of his Kennisbank-articles. Bezoek de website van creativecommons.org

Gerelateerde pagina's Kennisbank