Riolering ontbreekt nog

Periode: 1900 - 1931

In de tweede helft van de 19e eeuw waren het de cholera-epidemieën die enkele Europese steden er toe brachten het afvalwater via riolering buiten de stad te brengen. Nu wordt ons afvalwater niet alleen afgevoerd, maar ook gezuiverd alvorens het wordt geloosd.

In Ede werd in 1932 een aanvang gemaakt met de aanleg van riolering en met de zuivering op vloeivelden een jaar later. Voordat het hele dorp van riolering was voorzien, was het 1940 en waren de vloeivelden al overbelast. De kazernes en de ENKA hadden gelukkig hun eigen voorzieningen.

Hier wordt ingegaan op de tijd zonder riolering met de daarbij optredende problemen en oorzaken.

Rond 1900 was er veel armoede in het dorp. Bij een inspectie van 17 woningen hadden 13 woningen, waarvan twee met tien bewoners, geen drinkwater en geen privaat. Zes woningen werden onbewoonbaar verklaard. Het water van de dorpspompen van de Boschpoort, de Bergstraat en de Paaschberg bleken alle drie ongeschikt als drinkwater.

De dorpelingen hebben hun ‘doos’, in huis of in het ‘huussien’ dat buiten staat, aangesloten op een beer-put. De uitkomende beer wordt gebruikt als mest in de moestuin. Het afvalwater verdwijnt in een gegraven zinkput. Raakt de bodem verzadigd dan graaft men een nieuwe zinkput of loost men op straat. In het dorp zijn ook nog allerlei kleine bedrijven zoals zelf slachtende slagers, een mosterdmalerij, een palingrokerij, een lijmfabriek etc., die veelal lozen op straat of de achtertuin vervuilen. Van één slager is bekend dat hij in zijn winkel slachtte en het bloed liet weglopen naar de straat.

Bij hevige regenval kan, zelfs in de Grotestraat nabij de oude Markt, het water over de drempels komen. Slager Dirk van Hunnik heeft dan ook een hoge stoep aangelegd voor zijn deur zodat zijn ‘spekkelder’ niet kan onder-lopen.

De Gezondheidscommissie rapporteert regelmatig aan burgemeester en wethouders, maar de adviezen worden zelden opgevolgd. De greppels langs de wegen, bestemd voor afvoer van regenwater, vullen zich met rottend afvalwater. Huisarts Gevers Leuven wijst op het gemis van een plaats waarheen huisvuil en afval kan worden gebracht. Verder stelt hij dat de bevolking over het algemeen weinig begrip heeft van zindelijkheid en dat tuberculose relatief veel voorkomt.

Het Maandereind, het putje van Ede

De hoog gelegen oostzijde van het dorp watert af richting Grotestraat en Stationsweg waarin het Maandereind het laagste punt is. Van daar is er afvoer mogelijk gemaakt naar de sloot, een ‘vergaarbak’, langs de Maanderweg. Het Maandereind is lange tijd een bekend “nat” punt in Ede geweest en heeft ook recent meermalen onder water gestaan.

In 1927 wordt besloten de afvoerbuis naar de sloot langs de Maanderweg te vergroten. Desondanks staat het Maandereind in 1928 weer blank en dat zal in de volgende vijftig jaar nog veel vaker gebeuren.

In augustus 1930 wordt opnieuw gevraagd naar verbetering van de afvoer bij de Openbare School en het Militair Tehuis aan het Maandereind. Burgemeester en wethouders beroepen zich op overmacht, maar er komt weer een onderzoek.

De Zeepsloot

Het probleem was in 1906 vergroot toen wasserij Gelria op de sloot langs de Maanderweg ging lozen. Burgemeester en wethouders hebben geen vergunning verleend, want de sloot behoort toe aan de buurt Ede-Veldhuizen. Raadslid Tulp vertelt dat hij als buurtmeester toestemming heeft verleend aan Gelria om daar te lozen. Als directeur van Gelria vertelt hij verder, dat het bedrijf een duiker zal laten aanleggen naar de andere zijde van de spoorlijn waardoor daar de Zeepsloot zal ontstaan.

De gemeente ziet een oplossing voor haar probleem en sluit een overeenkomst met Gelria om ook het afvalwater uit het dorp naar de Zeepsloot te verpompen. De Gezondheidcommissie is tegen en vreest voor verdere bodemvervuiling. En inderdaad, de sloten in Veldhuizen, die vroeger goed water hadden, vervuilen snel en klachten over vervuild pompwater volgen dan ook.

Bodemverontreiniging

In 1917 is aan de Maanderweg het grondwater zodanig vervuild dat het pompwater bij drie percelen geheel onbruikbaar is geworden. De Gezondheidscommissie schrijft dat het water ondrinkbaar is en ‘naar teer stinkt’. Kort daarop worden de eerste ziektegevallen geconstateerd waarna de woningen aan de Maanderweg worden aangesloten op de drinkwaterleiding tegen een gereduceerd tarief. De gemeente zal het eerste jaar de huurkosten voor de leiding betalen.

Verderop langs de Zeepsloot komen meerdere klachten en telkens moet de gemeente zorgen voor goed drinkwater. De toestand wordt onhoudbaar en in 1927 wordt besloten om het overtollige water af te voeren via een riool naar een sloot langs de Hakselschesteeg, waarop ook het water van de Kolkakkerweg zal worden afgevoerd. Het gevolg is wel dat kort daarop aan de Tuinderslaan een welput vervuild is, die zelfs op 13 m afstand van de sloot ligt.

Midden 1923 komen burgemeester en wethouders met een kredietaanvraag voor het opstellen van een rioleringsplan, maar dat krediet zal pas in 1925 worden verleend. Het vervolgens opgestelde plan wordt in 1927 echter door de gemeenteraad afgewezen omdat men het te duur vindt.

De Edesche IJsclub

Omdat de gemeente het contract met Gelria voor het verpompen van water in 1915 had beëindigd, wil de IJsclub het water verpompen naar de verbrede Zeepsloot om die als ijsbaan te kunnen gebruiken. Het gebied krijgt een dubbele functie: reinigingsterrein en ’s winters bovendien ijsbaan. Ondanks de kans op bodemverontreiniging, wordt de overeenkomst aangegaan.

Deze ijsbaan zou veel later, als hij verlost is van het rioolwater, de Kanovijver worden en met beton bekleed worden. Later komen daar aan de Schaapsweg de loodsen van de firma Bruil en weer later, in de jaren negentig, zijn daar huizen gebouwd, o.a. aan de huidige Zwaluwlaan.

Amsterdamseweg en omgeving

Aan weerszijden van de Rijksweg, nu Amsterdamseweg, lopen in 1904 nog ‘open watergoten’ die via ‘steenen kokers’ in ‘Rijks Zinkputten’ bij de spoorlijn uitkomen. Die plek stond bekend als de ‘stankpoel’. Besloten wordt het probleem 'commissionaal te maken' en twee weken later is de oplossing er. Desondanks merkt een raadslid in 1926 op dat er woningen zijn ondergelopen en de weg bij de Gereformeerde Kerk weer onder water heeft gestaan. Bij het winkeltje van Lammert van de Bospoort heeft men uit voorzorg tegen wateroverlast al bij de bouw een verhoogde stoep aangelegd en later zelfs een ‘scheepsdrempel’ gemaakt.

In 1935 is de oude riolering vervangen en melkfabriek Concordia op het riool aangesloten. Dat de spoorwegovergang nog steeds een barrière vormt, ook voor de Notaris Fischerstraat, bleek nog in 2002.

Molenstraat

Ook de Molensteeg, een geul tussen twee zandruggen, is altijd een ‘uitvalsweg’ geweest voor het water komende uit het noordelijk deel van het dorp. Voor de aanleg van een greppel ter verbetering van de waterafvoer is in 1910 besloten een strook grond te huren van eigenaresse van de Concordiamolen. Stankklachten en verontreiniging van drinkwaterputten, zoals bij de Zeepsloot, staan voor deze buurt echter nergens vermeld. Dat de Molenstraat bij hevige regen nog steeds één van de belangrijkste afvoeren is, werd nog bewezen in 2002 toen grote delen blank stonden.

Kolkakkerweg

In het begin van de jaren twintig worden in de Kolkakkerbuurt woningen gebouwd. Riolering is niet in het plan opgenomen en de toiletten worden aangesloten op beerputten. In 1935 zal men de regenwaterafvoer uit het gebied verbeteren door wat sloten te verbreden. Pas in 1937 worden de percelen aangesloten op de riolering.

Ede-Zuid

Poortplein (GA17400)
Poortplein (GA17400)

Het gebied van Ede-Zuid ligt ver van het dorp en heeft een eigen natuurlijke afwatering in de richting zuid-west. In 1914 wordt verzocht om riolering aan te leggen voor de in 1907 gebouwde woningen aan de Parkweg. Omdat er geen riolering in de buurt ligt, en de kosten daarom voor de gemeente zeer hoog zijn, wordt het verzoek afgewezen.

Er wordt in 1920 ook geen rekening gehouden met riolering voor de 330 geplande woningen van de ENKA-wijk. Per twee woningen wordt één beerput gemaakt. Eind 1926 wordt verbetering van de regenwaterafvoer gevraagd. De winkeliers aan de Parkweg moeten soms met de polsstok thuiskomen.

Tijdens regen is de wateroverlast bij het Poortplein erg groot, maar de vraag naar een afvoerriool wordt afgewezen in 1929, 1931 en 1933.

Zelfs later, als Ede wel is gerioleerd, blijven daar lang problemen bestaan. Zo kunnen we in een raadsverslag uit 1949 lezen dat, naast de woningen ten westen van de Kerkweg, de fecaliën uit de grond borrelen. Het antwoord van burgemeester en wethouders geeft de na-oorlogse problemen weer ten aanzien van het verkrijgen van bouwmaterialen. De uitvoering moet wachten, omdat onvoldoende bouwvolume kan worden verkregen. In dat verband wordt verwacht, dat het nog wel enige jaren zal duren alvorens de gewenste oplossing bereikt kan worden.

Bronnen (aanwezig in het gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Lohuizen, Kees van,  Afvalwater, riolering, zuivering en afwatering van het dorp Ede in de 20e eeuw. - Ede, 2005

Tijdschriften

  • Zandloper, 2010-1

Fotocollectie

  • GA17400 Poortplein

Auteur

Kees van Lohuizen, 2011

Gerelateerde artikelen Kennisbank