Riolering wordt aangelegd

Periode: 1932 - 2000

Het eerste deel van onderstaande beschrijving heeft betrekking op het dorp Ede. Op het eind wordt kort ingegaan op de riolering van de buitendorpen waar duidelijk minder gegevens van bekend zijn. Het nut van riolering blijkt vooral uit de tijd dat zij er niet was.

In de loop der jaren is in Ede veel over riolering gepraat. Er zijn zelfs complete rioleringsplannen gemaakt in 1914 en 1927, maar die zijn nooit uitgevoerd. Uiteindelijk besluit de raad eind 1931, en het ging niet van harte, om nieuw opgestelde plannen voor Ede en Bennekom te gaan uitvoeren. In 1948 is een aangepast plan voor Ede gemaakt. De riolering wordt vanaf dat moment steeds meegenomen in de ontwikkeling van nieuwe wijken. Bij de in dit artikel genoemde plannen van 1970 en 1995 moet men niet denken aan totaal nieuwe plannen, maar aan voortgaande denkrichtingen op basis van de geplande ontwikkelingen van Ede. Daarbij spelen de eisen van de zuiveringsinstallatie, zowel planologisch als technologisch, een belangrijke rol. Voor alle dorpen geldt dat het rioolwater onder “vrij verval”, dus zonder pompen, naar het lager gelegen “afleveringspunt” loopt om gezuiverd te worden.0

Het plan voor Ede van 1931

Met het ingediende plan denkt men wateroverlast in Ede te voorkomen. Voor de zuivering van het rioolwater worden aan de Peppelensteeg vloeivelden aangelegd en, omdat er niet mag worden geloosd als er wateroverlast is in de Gelderse Vallei, wordt er daarnaast een groot bassin aangelegd om het rioolwater tijdelijk te kunnen opslaan.  

Bij een enquête onder 1060 hoofdbewoners zijn 132 positieve reacties ontvangen voor aansluiting op de riolering. De overige reacties zijn divers: de eigenaar wil niet tekenen, aansluiten alleen als het verplicht wordt, er is een servituut van de achterbuur, men wil de mest niet missen enzovoorts. Langs het eerste gedeelte verwacht men dat 55% zal aansluiten.

Het Rijk zegt subsidie toe voor werkverschaffing mits de Nederlandsche Heidemaatschappij de leiding krijgt bij de uitvoering. De subsidie op de arbeidslonen in werkverschaffing is in 1931 eerst nog 30% en later zelfs 50%, in 1933 gaat hij naar 75% en in 1935 naar 99%. Uitvoering van werken wordt in de jaren dertig steeds sterker bepaald door het wel of niet verkrijgen van uitkeringen uit het werkloosheidsfonds waarbij werk voor ongeschoolden zwaar telt.

Duidelijk blijkt dat het hoofdmotief van burgemeester en wethouders, maar ook van de raadsleden, om riolering te laten aanleggen niet de hygiëne is, maar de werkverschaffing.

 

Tegenwoordig is het normaal dat wegen en riolering worden aangelegd voor de bouw van huizen begint. Dat is in Ede dus niet het geval geweest vòòr de aanvaarding van het rioleringsplan 1931. In hoeverre Ede dan al is bebouwd is zichtbaar op de plattegrond van het dorp, zoals weergegeven in een V.V.V. gids uit omstreeks 1933. Eind 1932 is de kern van het dorp van Noord tot Zuid, via het hoofdriool in de Veenderweg en de Peppelensteeg, verbonden met het lozingspunt in de spoorsloot van de spoorlijn naar Utrecht. In dat jaar is al 4000 m. riool gelegd dankzij het harde regime van de werkverschaffing.

De aanleg van de vloeivelden aan de Peppelensteeg en het bassin voor tijdelijk opslag komen begin 1933 gereed. Voor die werkzaamheden moet ongeveer 16.000 m3 grond met de schop worden verzet. De Kolkakkerweg wordt pas in 1935 gerioleerd, terwijl het tot 1937 duurt alvorens daar een redelijk aantal woningen wordt aangesloten. De in 1906 gebouwde huizen aan de Parkweg in Ede-Zuid krijgen riolering in 1937. In de Beatrixlaan wordt in 1938, waarschijnlijk voor het eerst, riolering gelegd voorafgaand aan de bouw van de huizen. Terwijl in de oorlog elders de rioleringswerken praktisch stil liggen, wordt in 1941 in het Beatrixpark toch nog doorgewerkt om de betrokken werkkrachten zo lang mogelijk vrij te houden van verplichte tewerkstelling in Duitsland.

Het plan van 1948

Het plan is vooral gebaseerd op uitbreiding van Ede aan de westzijde tot de Klaphekweg, destijds de oostelijke grens van het waterschap waar het natte gebied begon. Opmerkelijk is de planning voor een 100 ha groot industrieterrein in de bossen van de Sijsselt en niet op het agrarisch gebied aan de westzijde van Ede. Het rioleringsplan houdt rekening met 70.000 inwoners in 2010 waarvoor er, bij een gemiddelde woningbezetting van 4 personen, 17.500 woningen nodig zullen zijn. De raming voor het aantal bewoners blijkt 60 jaar later buitengewoon goed. De onvoorziene groei van de welvaart maakt echter dat de gemiddelde woningbezetting daalt naar 2,4 waarvoor er nu dus ongeveer 30.000 woningen zijn. Daarnaast is het verharde oppervlak voor wegen, verbouwingen en terrassen enorm toegenomen en zijn de eisen voor het milieu veel strenger. Het rioolnet wordt veel complexer dan verwacht en voldoet niet voor de latere uitbreidingsplannen.

Het plan van 1970

Dit plan is berekend op de bestemmingsplannen voor Veldhuizen, Maandereng en uitbreiding van het industrieterrein Frankeneng naar het westen. Om de relatief hoge grondwaterstand in het westelijk gebied te verlagen wordt een systeem van vijvers, singels en drainage aangelegd. Regenwater op grote wegen wordt direct afgevoerd op de singels. Het rioolwater wordt geleid naar de nieuwe zuiveringsinstallatie aan de Dwarsweg die in 1972 gereed komt. Hoofdriolen in het dorp worden vergroot, maar ergens is een grens en niet elke bui kan probleemloos worden verwerkt. Aan de rand van Veldhuizen wordt, bij hevige regenval, rioolwater tijdelijk opgevangen in vier bassins die slechts enkele malen per jaar zullen lozen op de achterliggende vijvers.

Het plan van 1995

De verdere groei, met de woonwijken Rietkampen en Kernhem, alsmede de uitgestrekte industrieterreinen vraagt verdere aanpassingen. Voor het industrieterrein Heestereng moet het rioolwater worden opgepompt naar hoger gelegen riolen. Ook het rioolwater uit de westelijk van de A30 gelegen industrieterreinen Kievitsmeent en Schuttersveld moet worden verpompt om de nieuwe regionale zuiveringsinstallatie aan de Dwarsweg te bereiken. Nieuwe inzichten propaganderen zoveel mogelijk het regenwater buiten de riolering te houden door infiltratie in de bodem of directe afvoer naar oppervlaktewater.

Riolering Bennekom

Het raadbesluit van eind 1931 geeft ook groen licht voor Bennekom. Het lozingspunt ligt aan de westkant en schuift op met de bebouwing. Uiteindelijk zijn in 1939 vloeivelden aangelegd. In 1971 is aan de Dreeslaan, op de plek van de vloeivelden, een moderne zuiveringsinstallatie in gebruik genomen.

Riolering Harskamp

De riolering in het relatief kleine dorp is al in 1959 aangelegd en aangesloten op de zuiveringsinstallatie aan de Laarweg die loosde op de Laarbeek. De belasting van die installatie kwam voor 65% van het infanterieschietkamp. Het was dan ook het leger dat de bouw van de installatie grotendeels initieerde en bekostigde.

Riolering Ederveen

In 1962 is Ederveen gerioleerd en voorzien van een zuiveringsinstallatie aan het eind van het Schras met lozing op een zijtak van de Munnikebeek.

Riolering Lunteren

In de jaren dertig zijn enkele knelpunten in de riolering opgelost en is bij de groei gezocht naar een lozingspunt op de bovenloop van de Lunterse Beek aan de rand van het dorp. Pas in 1967 is een goede en volledige riolering voor het dorp gereedgekomen. Afvoer vond plaats naar de zuiveringsinstallatie aan het Hullerpad met lozing op de Lunterse Beek.

Riolering Otterlo

Dit dorp werd in 1967 gerioleerd en aangesloten op de zuiveringsinstallatie aan het Mosselsepad die loosde op de Egypterwetering, een zijtak van de Grote Valksebeek.

Riolering Wekerom

Dit dorp werd in 1969 gerioleerd en aangesloten op de zuiveringsinstallatie aan de Koperensteeg die loosde op de Grote Valksebeek.

Bronnen (aanwezig in het gemeentearchief Ede)

Archieven en collecties

Literatuur

  • Lohuizen, Kees van,  Afvalwater, riolering, zuivering en afwatering van het dorp Ede in de 20e eeuw. - Ede, 2005

Tijdschriften

  • Zandloper, 2010-2
  • Zandloper, 2010-4

Auteur

Kees van Lohuizen, 2011

Gerelateerde pagina's Kennisbank