Wildwal

Periode:  16e eeuw tot heden
Plaatsaanduiding: Gemeente Ede

Op de randen van bossen en heidevelden in ons land zijn verschillende soorten wallen en greppels voor uiteenlopende doeleinden aangelegd. Specifiek Veluws zijn de lange, aaneengesloten wildwallen, aangelegd om wild (wilde zwijnen, herten en reeën) te weren van cultuurgronden. Deze aarden wallen worden ook wel ‘wildgraaf’, ‘wildgracht’ of ‘wildvrede’ genoemd.

De meeste wallen waren ongeveer één meter vijftig hoog en ruim twee meter breed De wallen werden altijd gecombineerd met een greppel langs de buitenkant met een diepte van eveneens één meter vijftig. Het (groot)wild werd dus door een flinke en steile helling buitengehouden. Om het de dieren nog lastiger te maken werden vaak doornige struiken en eikenhakhout op de wal geplant. Op andere plaatsen werden soms palenrijen en houten hekken aangebracht. Als het wild erg talrijk was, dan werden ’s nachts op de aarden wal vuren aangelegd om het wild vooral bij de Eng weg te houden. Op deze manier konden de boeren hun gewassen beschermen; de jacht was voorbehouden aan de hertogen en later de Oranje’s, totdat het jachtrecht werd verpacht.

Tracé

In de middeleeuwen werd aan de westkant van het Veluwemassief een wildwal aangelegd. Deze begon ter hoogte van Wageningen en eindigde bij Meulunteren, een afstand van ongeveer 21  kilometer. Op een kaart uit 1570 van Thomas Witteroos wordt voor het eerst een wildwal aangegeven. Deze liep van de Wageningse Eng tot het Sijsseltse bos bij Ede. Omstreeks 1600 was de Eng bij het dorp Ede door een wal omringd. Ook andere aangemaakte gronden, zoals de Sluntereng en de Luttikereng waren beschermd. Wanneer de aansluitende delen naar het noorden werden aangelegd is niet geheel duidelijk. In de boeken van de buurten Bennekom, Maanen, Ede-Veldhuizen, Doesburg en Lunteren wordt de wal hoofdzakelijk genoemd tussen 1650 en 1800. Uiteindelijk liep de wal globaal langs de oostgrenzen van de verschillende buurten, bij Ede-Veldhuizen over de Paasberg heen en zo verder naar de Doesburgerheide.

Nieuwe wal

De noodzaak om wildwallen aan te leggen c.q. te onderhouden wisselde sterk in de tijd. Begin 17e eeuw was er weinig wild en dus minder noodzaak de wallen te onderhouden, waardoor deze in verval raakten. Bovendien waren de verschillende buurten het over de grenzen van de buurten overschrijdende werkzaamheden lang niet altijd eens. Zo verliep overleg tussen Bennekom en Wageningen erg traag en moeizaam. En dreigde Ede-Veldhuizen de grenzen met Maanen en Doesburg te sluiten door de afwachtende houding van deze buurten. In 1760 vroeg het buurtbestuur van Ede-Veldhuizen hulp aan het Kwartier van Veluwe in Arnhem, onder andere om toestemming tot het afschieten van wilde zwijnen. Of men er baat bij heeft gehad, is niet bekend. Wel bekend is dat elf jaar later in 1771 de buurt weer grote kosten moest maken om een nieuwe wildwal aan te leggen. Dat kwam mede door stadhouder-koning Willem III die nogal van jagen hield. Hij voerde de wildstand zelfs op door stropers te weren en wild uit te zetten. De nieuwe wal kreeg aan de hoge zijde een houten afsluiting, gevormd door palen met daartussen planken. De wegen die de wildwal doorsneden waren afgesloten door stevige hekken, die na opening vanzelf weer dichtvielen. De aanleg van de nieuwe wal was begroot op 700 gulden, maar kostte uiteindelijk 123 gulden meer. Gelukkig zegde de heer van Kernhem, baron Van Wassenaer, 50 gulden toe en schonk het Burgerweeshuis in Arnhem, dat de tienden onder Ede in eigendom had, nog 75 gulden. Toen in 1779 weer klachten binnenkwamen bij het bestuur van de buurt Ede-Veldhuizen, besloten deze de wal te gaan onderhouden vanaf de Paasberg tot aan Kernhem. Na die tijd vinden we in de buurtboeken geen opmerkingen over de wildwal terug.

Herstel

De wildwallen waren grotendeels beplant met eikenhakhout. Van het snoeihout hiervan werd de bast geschild. Deze zogenaamde ‘eek’ werd gebruikt in de leerlooierij. In de 19e eeuw verliest de wildwal zijn functie, enerzijds door de intensievere jacht, anderzijds door de mogelijkheid om (prikkel) draadversperringen toe te passen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog, zeker toen de ruilverkaveling op gang kwam, zijn veel delen van de wildwallen weggeploegd en geëgaliseerd. Met name in het gedeelte ten noorden van Ede zijn nog restanten zichtbaar. Vooral de laatste jaren neemt de belangstelling voor dit cultureelhistorisch erfgoed toe. Bij Huize Kernhem is een deel van de wildwal hersteld (toegankelijk vanaf de Doolhoflaan) en voorzien van een informatiebord. In Lunteren is in 2003 nabij de Westhofflaan een stuk wal opgeknapt en voorzien van een plaquette. In 2011 is bij kasteel Hoekelum een begin gemaakt met de restauratie van delen van de wallen. Leerlingen van scholengemeenschap ‘Het Streek’ hebben in 2012 een flink deel van de wildwal in de Doesburger Eng, op het terrein van landgoed Groot Zonneoord, opgeschoond.

Bronnen

Literatuur

  • Schreuders, L.C.,  Rond de grijze toren.  - Ede, 1958
  • Hist. Ver. Oud-Ede,  Geschiedenis van Ede, deel I, -Arnhem. 1933
  • Pluim, T. en Gortel, H. van,  Geschiedenis de Neder-Veluwe. deel II, - Barneveld, 1889
  • Pluim, T. en Gortel, H. van,  Geschiedenis de Neder-Veluwe. deel III, - Wageningen, 1890
  • Hoekstra, P., Lunteren, een historische studie. - Barneveld, 1988
  • Hist. Ver. Oud-Bennekom, Oud-Ede, Oud-Lunteren, Van Woeste Gronden. - Ede, 2005
  • Roekel, G. van, Het buurtboek van Bennekom. - Capelle a/d IJssel, 1998

Documentatie

Tijdschriften

  • De Zandloper, 1986/3 en 2003/2
  • De Kostersteen, nr. 114

Auteur

Henk M. Klaassen, 2013

Gerelateerde pagina's