Lagere school, De eerste openbare

Periode: 1826 - 1863
Plaatsaanduiding: Grotestraat, Ede

Voordat de eerste school in Ede in gebruik werd genomen, werd er les gegeven onder de toren van de Hervormde Kerk aan de Grotestraat. De grote trekker bij dit onderwijs was toch wel de kerk. In de praktijk kwam het er op neer dat overal waar de kerk gevestigd was er mogelijkheden tot educatie werden geboden. In die tijd werd een man, die de kerk altijd trouw gediend had, aangesteld als schoolmeester. Meestal waren er weinig leerlingen en ook weinig schoolvakken. Om toch tot een volledige daginvulling te komen kreeg de ‘schoolmeester‘ in Ede dan ook meerdere bijbaantjes. Door zijn betere geletterdheid ten opzichte van de gemeenschap was de schoolmeester tevens koster, voorzanger, doodgraver, klokkenluider en schrijver voor de Buurtvergaderingen en het Bosbestuur. Al met al een manusje van alles.

Koster/schoolmeester

De koster/schoolmeester komt in de kerkgeschiedenis van Ede al voor in 1611. In de daarop volgende periode van ongeveer drie eeuwen zijn tien koster/schoolmeesters benoemd. De meeste bleven hun werkzaamheden uitvoeren tot hun overlijden. De benoeming van een koster/schoolmeester was er één van groot belang en was een zaak van de gehele kerkelijke gemeente. Uit de kerkenraadsvergadering van 1750 werd bij de benoeming van koster/schoolmeester Jan Willem Kerkhof een passage opgenomen over het te geven onderwijs. Hij moest de jeugd ‘neerstig onderwijzen in lezen, schrijven, rekenen, goede zeden, de eerste beginselen der godsdienst en wat diergelijke schooloefeningen meer mochten wezen.’

Onderwijs in de buurten

De school van de koster was dus het officiële onderwijs, maar in de veraf gelegen buurten had men daar weinig aan. Vandaar dat het al eeuwen een oude gewoonte was dat in die buurten de kleine kinderen, voor ze naar de grote school gingen, al wat onderricht ontvingen op de zogeheten bijscholen. De bijscholen waren niet helemaal wettig, maar de omstandigheden maakten ze nodig. Als de man of vrouw, die het onderwijs gaf, maar lidmaat van de kerk was, wilde men er van kerkelijke zijde niet veel tegen doen. Eén van de bekendste bijscholen in de regio Ede was die van meester Hendrik van Holland. Hij hield school in een schaapskooi bij de Plankenbrug. Alleen ´s winters want ´s zomers had iedereen het te druk. Zijn leerlingen kwamen uit Manen, Veldhuizen, ´t Pakhuis en zelfs van de Rijnsteeg en de Kade. Het aantal leerlingen varieerde tussen de 30 en de 40. De inrichting van deze school was sober. In het midden van de schaapskooi had de meester een gat gegraven waarin vuur gestookt werd. Om het gat zaten de jongens op de grond en de meisjes met een warme stoof op een bank, namelijk een doorgezaagde boomstam. Veel tijd besteedde de meester aan het schrijven, waar hij zelf zeer bedreven in was, maar aan rekenen werd niet veel gedaan. Meester Van Holland, geboren in 1780, heeft bijna tot aan zijn dood, in 1863, schoolgehouden.

De onderwijswet

Deze wet uit 1801, die later door de onderwijsexperts van Napoleon geprezen zou worden als de beste ter wereld, zou tot 1857 van kracht blijven. Hoofdpunten uit de wet gaven aan, dat gewoon lager onderwijs bestemd was voor kinderen van 6 tot 12 jaar en dat de ouders een geldelijke bijdrage moesten leveren. Behoeftige kinderen gingen kosteloos naar school. Voortaan moest klassikaal les worden gegeven en kwam er een einde aan het eeuwenoude hoofdelijk onderwijs, waarbij elke leerling individueel les kreeg. Om het onderwijs neutraal te houden mocht geen godsdienstonderwijs worden gegeven. In het kort kwam het er op neer dat alle kinderen recht op onderwijs hadden, en de overheid hiervoor moest zorg dragen en er de volledige verantwoordelijkheid voor had. Naast het feit dat nu de burgerlijke gemeente de initiatieven moest nemen t.a.v. scholenbouw en de benoeming van onderwijzers, werden er aan deze laatste ook hogere eisen gesteld . Het nieuwe onderwijs stond onder toezicht van schoolopzieners. In de onderwijswet van 1857 kwam nog eens duidelijk naar voren dat de scholen, opgericht door het Rijk, de Provincie of de Gemeente, openbare scholen waren. Katholieken en protestanten kregen met deze wet de vrijheid om confessionele scholen te stichten, maar moesten deze dan wel zelf bekostigen (De financiële gelijkstelling kwam in 1917 tot stand).

De eerste school in het dorp

Het onderwijs in Ede was begin van de 19e eeuw één grote treurzang. De schoolgebouwen van Bennekom en Lunteren waren bouwvallig en slecht, terwijl het dorp Ede zelfs helemaal geen schoolgebouw bezat. Men gaf nog steeds les onder de toren van de Oude Kerk. Over het algemeen ontbraken overal de benodigde leermiddelen. Bij de onderwijswet van 1801 werd o.a. geregeld dat aan de Burgerlijke Gemeente de zorg van het onderwijs werd opgedragen. Op papier probeerde men hier enige sturing in aan te brengen, maar in de praktijk waren er in de meeste gemeenten geen mogelijkheden aanwezig om zelf verbeteringen door te voeren. In 1823 kwam er wat druk op de ketel. De schoolopziener deelde de gemeente mede dat hij weigerde onderwijzers te benoemen in Bennekom en Lunteren als daar geen doelmatiger schoolgebouwen kwamen. En dus werden er plannen gemaakt; echter dit bleek tegen het zere been van het Kerspel Ede. Hier had de gemeente tot nu toe, in overleg met een kerkelijke commissie die in principe ook voor een nieuw schoolgebouw en schoolbehoeften was, steeds voorgesteld dat de kerk het initiatief hiervoor moest nemen. Immers, zij hadden al de inkomsten van het onderwijs. Maar het Kerspel antwoordde dat er wel inkomsten waren voor de koster, maar niet voor het onderwijs. En met de wet in de hand stond de kerk sterk.

Nieuwbouw

Leerlingen van de openbare lagere school aan het Maandereind  (GA13232)
Leerlingen van de openbare lagere school aan het Maandereind (GA13232)

Het zou toch nog tot 1826 duren voordat de gemeente met de bouw van een openbare lagere school in Ede begon. In eerste instantie wilde de gemeente de school plaatsen op een deel van het kerkhof, dat om de kerk lag en waar nog steeds begraven werd. Maar dat stond de kerkvoogdij niet toe en het plan werd afgewezen. Uiteindelijk kwam de school, met een capaciteit voor 150 leerlingen, terecht op een perceel schuin tegenover de kerk. Er werd ook een schoolmeesterswoning bij gebouwd. In 1827 was de nieuwe school gereed en ging meester Pieter Christiaan Neelmeijer met zijn leerlingen naar de overkant. Bij zijn aantreden als onderwijzer in 1821 was hij, conform de Wet op het Onderwijs, benoemd door de gemeenteraad. De Kerkenraad en de kerkvoogden benoemden hem tevens tot voorzanger en koster. Deze school zou jarenlang de enige in het dorp Ede blijven tot in januari 1890 de School met de Bijbel aan de Telefoonweg, thans bekend als Cavaljéschool, in gebruik werd genomen. Na 35 jaar was de oude school, geschikt voor 150 leerlingen, veel te klein geworden. In 1863 werd de school gesloten en verhuisden de leerlingen naar een nieuw onderkomen aan het eind van het Maandereind. Deze nieuwe school kon 298 leerlingen herbergen. Dit gebouw aan het Maandereind werd in 1976 gesloopt, nadat de school al enkele jaren aan de Sysseltselaan gehuisvest was.

Bijna gemeentehuis

In de raadsvergadering van 8 augustus 1863 gaf de burgemeester aan, dat door de uitbreiding van de werkzaamheden van het gemeentebestuur een betere behuizing toch wel noodzakelijk werd. Om aan deze behoefte te voldoen werd het wenselijk geacht een gemeentehuis te stichten. Hij had daarvoor twee objecten op het oog. De eerste optie was het verbouwen en inrichten van de oude openbare lagere school. Voor het realiseren van deze wens was een deel van het naastliggende terrein van de heer Bussink nodig, die graag zijn medewerking wilde verlenen. De tweede mogelijkheid was het aankopen en verbouwen van het huis van de heer Horsting, gelegen tegenover het logement ‘De Posthoorn‘. In dit huis waren al lokalen van het gemeentehuis gevestigd. Na bestudering hiervan stelde een raadscommissie voor om het huis van Horsting aan te kopen en te verbouwen tot gemeentehuis. Tenslotte werd besloten dat de oude openbare school niet meer ‘ter openbare dienst’ bestemd was en dat het gebouw publiekelijk verkocht kon worden. Het pand werd in 1975 gesloopt om plaats te maken voor de entree van het winkelcentrum ‘De Hof van Gelderland’. De laatste eigenaar was kapper J. Idema.

Bronnen

Literatuur

  • Ver. Oud-Ede, Geschiedenis van Ede deel I, II en III. - Wageningen, 1933
  • Boekholt, P.Th.F.M., Het lager onderwijs in Gelderland, -Zutphen, 1978

Archieven

Documentatie

  • Documentatieverzameling Gemeente Ede, nr. 9.9
  • Documentatieverzameling Kesteloo, nr. 113

Fotocollectie

  • GA13232 Leerlingen van de Openbare Lagere school aan het Maandereind

Tijdschriften

  • De Zandloper, 2010/4 en 2012/1

Auteur

Frans van Oort, 2012