Neelmeijer, P.C.

In dienst van kerk en staat

Periode: 1798 - 1868
Plaatsaanduiding: Ede

Meester Neelmeijer bepaalt vele jaren het gezicht van het onderwijs in Ede. Vanaf 1821 tot 1868 - het jaar van zijn overlijden - leren de Edese kinderen van hem lezen en schrijven. Ook zullen echter vrijwel alle volwassen Edenaren uit die jaren hem gekend hebben, aangezien hij tevens de functie van koster en voorlezer in de Oude Kerk vervulde.
Pieter Christiaan Neelmeijer wordt op 1 november 1798 in Utrecht geboren als zoon van de ‘boekverkoper’ Johan Hendrik Neelmeijer en Dirkje Christina Luca. De familienaam Luca wordt doorgegeven als voornaam van één van Pieter Christiaan’s kinderen.

Benoeming

Nadat op 14 februari 1821 onderwijzer H. Kool is overleden duurt het tot 11 mei voordat de eerste stap tot vervulling van de vacature gezet wordt. Op die dag wordt een commissie gevormd die belast wordt met de zoektocht naar een nieuwe schoolonderwijzer oftewel “voorziening in de vacature van het Schoolmeestoraat te Ede”.
Dinsdag 12 juni melden zich in het gemeentehuis vervolgens 7 sollicitanten om 'examen' te doen. Zij worden door de schoolopziener (onderwijsinspecteur) H.H. Donker Curtius “onderzocht in de gronden der Nederduitsche taal, de reken en de algemeene en vaderlandsche geschiedkunde benevens de manier van onderwijzen”. De commissie vindt dat de drie sollicitanten Neelmeijer, Van Oostveen en Van Pelt “boven de anderen uitmunten in kennis en gezond oordeel en goede begrippen van onderwijs, en weder van deze drie de eerstgenoemde P.C.Neelmeijer de meest bekwame is”. Pieter Christiaan Neelmeijer – tot nu toe onderwijzer in de Spinschool (gevangenisschool) te Arnhem - wordt benoemd en neemt de benoeming aan. Op 7 augustus schrijft hij aan schout Van Meurs: “dat ik na overleg met den Heer Schoolopziener H.H. Donker Curtius heb voorgenomen, om aanstaande Zaturdag over veertien dagen te Ede te komen, om dan Zondag daaropvolgende, zijnde den 26 Augustus 1821 mijne functiën te aanvaarden”.

Als Neelmeijer, die tevens een bevoegdheid Frans heeft, zijn werkzaamheden in Ede begint is hij nog vrijgezel en zal waarschijnlijk ergens in  de kost gekomen zijn. Op 22 mei 1822 trouwt hij te Utrecht met Maria Elisabeth van der Slooten. Het jonge echtpaar betrekt dan het 'mijstershuijs' aan de huidige Grotestraat, waaraan - voorafgaand aan hun komst - door smid G.J.Koops enig onderhoud is gepleegd, volgens een rekening van hem aan de kerkvoogdij. Ook 'verver en glazemaker' H. Jansen dient een rekening in voor werkzaamheden aan 'den Meestershuis'.

Meer dan schoolmeester

Wat opvalt in het citaat uit de brief van Neelmeijer is dat hij over functies in het meervoud schrijft en dat hij zijn werkzaamheden op zondag begint. In die tijd werd het beroep van gemeentelijk onderwijzer vrijwel altijd en overal gecombineerd met de kerkelijke functies van koster, voorlezer enz. Onder zes predikanten heeft Neelmeijer zijn kerkelijke werkzaamheden vervuld; met zowel dominee Schothorst (1810-1833 te Ede) als dominee Brouwer (1852-1864) heeft hij twaalf jaar samengewerkt, met dominee Detmar (1834-1844) tien jaar. Zijn werkzaamheden bestonden onder andere uit het voorlezen van de wet en het door de predikant opgegeven bijbelgedeelte; Neelmeijer beschikte over een ‘eigen’ Bijbel. Deze ‘Neelmeijerbijbel’ uit 1827 bevatte een handgeschreven blad voor de titelpagina met daarop onder andere de tekst: “Voor Zangers en Voorlezers te Ede. Voor het eerst uit dezen Bijbel gelezen, Zondag den 18 november 1838 (het 18e jaar mijner ambtsbediening) en wel Jezajas 42 Vers 1 tot 6. Pr Cn Neelmeijer (van Utrecht)”.  Dit inlegvel is later ook getekend door de opvolgers van Neelmeijer, F. de Graaf (1875) en L.C. Schreuders (1905). Tot enkele jaren terug was deze ‘Neelmeijerbijbel’ nog in de Oude Kerk op de avondmaalstafel aanwezig , maar bij een restauratie van de Bijbels in 2002 is deze verdwenen; de door Neelmeijer geschreven tekst werd teruggevonden in een andere Bijbel.

Ten tijde van dominee Bähler doet zich iets merkwaardigs voor. Op 3 maart 1848 wordt een extra kerkenraadsvergadering belegd vanwege “onheusche bejegeningen der Predikant door den schoolonderwijzer Neelmeijer den 28 der vorige maand ter zijner huize aangedaan”. Wat zich precies heeft voorgedaan en of en hoe de onenigheid is bijgelegd, is niet duidelijk omdat het verslag van deze vergadering wel is opgetekend in het notulenboek, maar in zijn geheel middels doorhalingen onleesbaar is gemaakt (de hier geciteerde woorden zijn met enige moeite nog te ontcijferen).

Jubileum

Op zaterdag 9 mei 1885 viert Ede uitgebreid en 'met opgewektheid' het feit dat de burgemeester zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum viert. Door een versierd Ede maakt de burgemeester een rondrit, waarbij ook de buitendorpen worden aangedaan waar eveneens erebogen zijn opgericht.
In een speciale raadsvergadering op 23 mei (precies 25 jaar na de raadsvergadering waarin Van Borssele werd welkom geheten) wordt de burgemeester toegesproken door wethouder Van Schothorst waarin hij uiteraard ingaat op “hetgeen tot bloei en welvaart der Gemeente kon strekken, door u met beleid werd op touw gezet en uitgevoerd. (…) Dat hiervoor veel beleid en kennis van zaken werd geeischt en hieraan veel moeite en zorgen verbonden zijn, weet ieder; maar niet allen weten de zorgen en moeite, die in de uitvoering van sommige werken zich hebben voorgedaan, waar processen dreigden en de zorgen meer dan gewoon waren. De Gemeente heeft dit ook gevoeld, en dankbaar erkend door op Uw zilveren feest, 9 mei, daarvan ondubbelzinnige bewijzen te geven”.
Eén van die bewijzen is het cadeau dat burgemeester Van Borssele van de bevolking krijgt: een album met foto’s uit de gehele gemeente.  Ook van de gemeenteraad krijgt de burgemeester een geschenk in de vorm van een groepsfoto (“een photographische groep van den Raad, waar Gij steeds mede in aanraking komt, tot dat doel geschikt was en U het meest welkom”).
In zijn speech ter beantwoording van de woorden van wethouder Schothorst zegt Van Borssele onder andere: “Zegen heb ik in ruime mate mogen ondervinden. Wat er in die 25 jaren tot stand gekomen is, daar zou ik mij niet op mogen beroepen. De leden van den Raad toch namen de besluiten en B. en W. hebben die besluiten uitgevoerd. Wanneer mij over de uitvoering dier besluiten tevredenheid wordt betuigd, dan zeg ik daarvoor dank, in de hoop het ook in het vervolg op dezelfde wijze te mogen doen”.
Na de toespraken wordt door de aanwezigen een dronk uitgebracht op het welzijn van de gemeente en de jubilaris. Ook de gewone burgers worden getrakteerd: ruim 1700 schoolkinderen krijgen 'chocolade en krentebroodjes' en de vele armen in de gemeente krijgen 'spek en erwten'.

Schoolmeester voor het leven

Als 23-jarige begint Neelmeijer dus zijn loopbaan als schoolmeester in Ede, waar hij gedurende 47 jaar de Edese jeugd onderwijst.
Het eerste probleem waarmee hij geconfronteerd wordt, is het schoolgebouw dat niet meer voldoet aan de eisen die het onderwijs stelt. Eigenlijk is er geen schoolgebouw, want het onderwijs wordt gegeven in de benedenruimte van de kerktoren; geen mogelijkheid tot stoken, dus ’s winters ijzig koud. Schout Van Meurs onderkent de slechte toestand waarin het onderwijs verkeert: “de schoolgebouwen bouwvallig en slecht, leermiddelen ontbraken, de meesters aan den rand der armoede”, aldus de Geschiedenis van Ede. In januari 1822 wijst schoolopziener Donker Curtius erop dat “tot het geven van een geregeld onderwijs, de tafels en banken, zoo als die nu gesteld zijn, niet deugen, en volstrekt behooren vernieuwd te worden”. Het probleem is dat onderhoud van school en inventaris tot voor een aantal jaren altijd door de kerk werd betaald, maar nu in de Franse tijd de kerktoren – en dus de schoolruimte – eigendom van de gemeente is geworden, zijn de kerkmeesters niet meer bereid in het onderwijs te investeren. Wel staan op de genoemde rekening van smid Koops enkele kleine uitgaven ten behoeve van de school, zoals een nieuw slot. De gemeente heeft echter geen geld en er ontstaat een machtsstrijd. De wet bepaalt echter dat de gemeente verantwoordelijk is en H.T. Prins, die de in 1822 overleden Van Meurs is opgevolgd, moet de geldmiddelen vinden (3 jaar extra hoofdelijke omslag) om een gemeentelijke school te bouwen. In 1826 is het zover en steekt Neelmeijer met z’n circa 140 leerlingen de weg over om tegenover de kerktoren het nieuwe schoolgebouw te betrekken. Als in 1842 de scholen in Gelderland bezocht worden door schoolopziener Wijnbeek schrijft hij over Ede het volgende (schoolmeesters Remery en het onderwijs in de 19e en 20e eeuw – www.xs4all.nl): "Te Ede vond ik in een geschikt lokaal den braven, kundigen, helderdenkenden P. C. Neelmeijer bezig om zijnen leerlingen op eene oordeelkundigen wijze die verstandsontwikkeling, die zedelijke vorming te geven, en die kundigheden bij te brengen, welke hen voor hunnen volgenden stand in de maatschappij noodig zijn. Jammer dat in deze streek een overdreven regtzinnig godsdienstige geest heerschende is…" Bijna veertig jaar zal dit gebouw dienst doen tot in 1862 een nieuwe school aan het Maandereind gebouwd wordt (afgebroken in 1977).

Een tweede probleem voor Neelmeijer is de hoeveelheid leerlingen: 120-160. Deze hoeveelheid is gewenst in verband met het schoolgeld; in 1867 bedraagt dit ƒ2,- voor een half jaar en ƒ1,75 voor vier maanden avondschool (door veel gezinnen echter niet op te brengen). Dit schoolgeld bepaalt mede het inkomen van Neelmeijer: in 1867 een bedrag van ƒ700,-. Natuurlijk is een dusdanig groot aantal leerlingen onhandelbaar. Het is dan ook geen wonder dat er gebruik gemaak wordt van door de ‘hoofdonderwijzer’ zelf te betalen ‘ondermeesters’. In 1844 verzoekt Neelmeijer echter om een bedrag van 100 gulden voor dit doel; de Raad stemt in met de helft – ƒ50,-. Dit blijft zo tot 1860, daarna krijgen de hulponderwijzers hun salaris rechtstreeks van de gemeente - in 1867 verdienen de dan werkzame hulponderwijzers Gerrit Colijn en Willem van Asch ieder ƒ300,-. Wat het inkomen van meester Neelmeijer betreft is er onduidelijkheid. Omdat hij zowel in dienst is van de kerk als van de gemeente Ede, komen zijn verdiensten uit verschillende bronnen. Soms is er echter ook spake van een totaalbedrag waarbij de onderverdeling ontbreekt. Het oudste gegeven dateert van 1822, als R. Willemsen, rentmeester der kerkgoederen van Ede een bedrag van ƒ53,- uitbetaalt aan P.C. Neelmeijer “als onderwijzer en koster”. Dit bedrag van ƒ53,- is opgebouwd uit drie delen, te weten ƒ12,- voor “het opwinden van het uurwerk”, ƒ20,- turfgeld en ƒ21,- “voor het gemis van duiven”; dit laatste zou een compensatie kunnen zijn omdat Neelmeijer geen inkomsten kon of mocht verwerven door het houden en verkopen van duiven, die in die tijd tot het normale menu behoorden. Een jaar later zijn de laatste twee bedragen samengetrokken tot een bedrag van ƒ41,- voor de “koster en schoolonderwijzer”. De duiven uit 1822 komen ook later niet meer voor. Een uitgebreide verantwoording van Neelmeijer’s inkomen vinden we in 1858: ƒ1024,- (hoofdonderwijzer) + ƒ150,- (doodgraver) + ƒ30,- (aflezer) + ƒ125,- (koster – tevens 33 mud rogge en 7,5 kilo boter). Een jaar later zijn de bedragen totaal anders: ƒ50,- van de gemeente, ƒ361,- als koster, ƒ150,- als doodgraver en ƒ30 als aflezer; de veranderlijke inkomsten (schoolgeld) ontbreken. In 1860 wordt dit bedrag wel ingevuld (ƒ775,-) en bedragen de overige inkomsten ƒ500,-. In 1861 viert Neelmeijer zijn veertigjarig jubileum als (hoofd)onderwijzer. Dit feest vindt nog plaats in de oude school tegenover de Oude Kerk. De kosten van het feest worden betaald uit de gemeentekas, de Hervormde Kerk biedt de jubilaris een “sierlijke armstoel en schrijftafel” aan en dominee Brouwer sluit het feest af met dankgebed. Hoewel er officieel scheiding is tussen kerk en staat, is daar hier weinig van te merken.

Nageslacht en levenseinde

Uit het echtpaar Neelmeijer-van der Slooten worden elf kinderen geboren, waarvan er vijf als kind overlijden. De overige kinderen – vijf dochters en één zoon – trekken allen weg uit Ede. Dochter Cornelia Cecilia (1826-1907) trouwt met Gotfried Otto Donner, lid van de bekende ministersfamilie. Zoon Dirk Christiaan Luca (1828-1900) treedt in de voetsporen van zijn vader en wordt door koning Willem III zelf benoemd tot hoofd van de op te richten ‘Koningsschool’ in Apeldoorn, een school in de eerste plaats bedoeld voor zonen van beambten en werklieden van Paleis Het Loo – 41 jaar lang geeft Neelmeijer jr. leiding aan deze jongensschool, waar pas vanaf 1952 meisjes werden toegelaten. De nog steeds bestaande school is in 1960 omgevormd tot een school voor middelbaar bosbouwonderwijs (Helicon). In 1868 vraagt Neelmeijer ontslag aan. Op 28 februari schrijft hij de volgende brief:
“De ondergeteekende, hoofdonderwijzer aan de openbare lagere school in het dorp Ede, door doofheid zeer gekweld, en belemmerd sedert eenigen tijd daardoor eenigzins in de waarnemeing van zijne betrekking begrijpt dat ’t zijn plicht is, zijne betrekking neder te leggen, en te vragen om eervol ontslag met de voorrechten aan dat ontslag verbonden, ’t welk hij doet bij dezen. Diensttijd en ouderdom geven hem, naar de wet, daarop aanspraak.”
Het gevraagde ontslag wordt verleend en hoewel in genoemde stukken geen officiële ontslagdatum voorkomt, zal deze 1 juni geweest zijn, aangezien per die datum een pensioen van ƒ466,- per jaar wordt toegekend.
Ook de kerkelijke functies legt Neelmeijer neer, hetgeen ouderling Bussingh in de kerkenraadsvergadering van 6 juli 1868 tot de vraag brengt of de betrekking van voorzanger en koster niet verenigd moet worden met die van onderwijzer eener Christelijke School. De eerste Christelijke School in Ede laat nog ruim twintig jaar op zich wachten, de voorgestelde combinatie ontstaat pas in 1905 als de eerste Hervormde School van start gaat. Slechts 2 maanden heeft Neelmeijer van zijn pensioen mogen genieten. Op 30 juni 1868 overlijdt hij, ruim 69 jaar oud. Op 5 oktober komt het college van kerkvoogden bijeen en wordt vastgesteld - hoewel enkelen tegen zijn - dat de nieuw te benoemen koster “gehouden zal zijn tot aan het overlijden van de weduwe van voornoemde Hr. P.C. Neelmeijer … eenen  jaarlijksche uitkeering te doen van Een honderd Gulden, zullende beginnen met den 11 november 1868 en te geduren tot en met den dag van het overlijden van voornoemde weduwe Neelmeijer”. De ‘kosterie’-inkomsten worden voor dit doel tijdelijk met ƒ50, - verhoogd. Bijna twintig jaar zal deze uitkering gedaan zijn, want in januari 1888 overlijdt de weduwe Neelmeijer in Arnhem, waarheen zij waarschijnlijk al vrij snel na het overlijden van haar man is verhuisd.
De kerkelijke dubbelfunctie van Neelmeijer wordt na zijn overlijden gesplitst en als voorzanger/lezer wordt benoemd Frederik de Graaf, die Neelmeijer als hoofdonderwijzer is opgevolgd en als koster wordt de Edese timmerman Jan van Veldhuizen benoemd.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Vereniging Oud Ede  Geschiedenis van Ede – deel 1 en 2. - Ede, 1933 en z.j.
  • Bruggen, A.G. van,  Met lust en ijver - 100 jaar Paasbergschool. - Ede, 2005
  • Bank, dr. J.H. van de   Kudde in veelvoud – kleine kerkgeschiedenis van Ede. - Ede, 1986

Archieven

  • Oud archief Gemeente Ede en rechtsvoorgangers, 1647-1948, inv. nrs. 599, 613, 678-679, 2367
  • Archief Nederlands Hervormde Gemeente Ede 1569-1992, nr. 015, inv.nrs. 6, 859,  1521, 1522

Auteur

Gerard van Bruggen, 2010