Eck, Dr. Hubert Johannes van

Periode: 1905 - 1991
Plaatsaanduiding: Ede 

Wie zich verdiept in de geschiedenis van Ede kan niet heen om het proefschrift van H.J. van Eck: “Boeren en fabrieksarbeiders: een sociografie van de gemeente Ede”. Met deze studie promoveerde Van Eck in 1938 tot doctor in de letteren en de wijsbegeerte. In “Boeren en fabrieksarbeiders” beschrijft hij enerzijds de ontwikkeling van Ede na de komst van de Enka, met fabrieksarbeiders en het ontstaan van Ede-Zuid, en anderzijds de ontwikkelingen in de landbouw aan het begin van de twintigste eeuw. Mede door deze studie zal dr. Van Eck bekend komen te staan als plattelandsdeskundige.

Levensloop

Dr. H.J. van Eck (GA40048)
Dr. H.J. van Eck (GA40048)

Hubert Johannes van Eck wordt op 7 april 1905 in Oegstgeest geboren als oudste kind van Daniël Johannes van Eck en Hiltje Swerms. Nog drie kinderen worden uit dit echtpaar geboren en via Soest en Heemstede vestigt de familie zich in 1929 in de Doesburgerbuurt in Ede. Vader Van Eck, die in Oegstgeest een macrobiotische tuinderij had, zet hier zijn beroep als vruchtenkweker voort.
Hubert Johannes is genoemd naar zijn grootvader Hubert Johannes van Eck (1818-1876) die als doctor in de letteren diverse publicaties op zijn naam heeft en burgemeester was van het Zeeuwse Axel. Ook diverse andere leden van de familie Van Eck waren maatschappelijk en politiek actief. De bekendste is misschien wel de oom van Hubert Johannes, Dirk Antonie van Eck (1867-1948). In het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland wordt hij –afkomstig uit een liberaal nest - beschreven als voorman van de sociaal-democratische beweging in Leiden. Hij werd in 1899 de eerste socialistische burgemeester van Nederland: Mijnsherenland / Westmaas en Boskoop. Vanwege zijn pacifisctische instelling moet hij in 1903 aftreden.

Kort nadat het gezin Van Eck zich in Ede vestigt, vertrekt Hubert Johannes naar Amsterdam. Hier is hij van 1930 tot 1964 leraar aardrijkskunde aan de Joodse HBS. Na de afronding van zijn doctoraalstudie in 1938 komt hij in Ede aan de Oude Lunterseweg wonen. Hij kende Ede al vanuit de periode van zijn militaire dienstplicht en omdat zijn ouders er al enkele jaren wonen. Niet voor niets had hij ook Ede tot onderwerp van zijn dissertatie gemaakt.
Evenals zijn oom Dirk Antonie kiest Hubert Johannes van Eck voor de sociaaldemocratie en in 1939 wordt hij lid van Provinciale Staten van Gelderland voor de PvdA (toen nog SDAP geheten). Vanaf 1946 tot 1970 is hij lid van Gedeputeerde Staten voor deze partij. Ook binnen de Edese gemeenschap is hij zeer betrokken bij het wel en wee van de PvdA.
Gedurende de oorlogsjaren is zijn wat buitenaf gelegen woning – ondanks inkwartiering van Duitsers - een schuilplaats voor Joodse onderduikers (onder andere Jacques Presser, auteur van Ondergang, de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945). Ook op andere punten blijkt zijn liefde voor het Joodse volk en het land Israël, een liefde die ontstaan is door zijn werk aan de Joodse HBS. Vele malen heeft hij Israël bezocht en de druk van de omliggende landen gevoeld. Zeer geraakt is hij dan ook als in 1990 in een krant een foto verschijnt van de toenmalige voorzitter van de Nederlandse PvdA (Marianne Sint) met Yasser Arafat, de grootste vijand van Israël. Van Eck vraagt zich af of hij nog wel lid kan blijven van de PvdA, maar een schriftelijke uiteenzetting van mevrouw Sint over de achtergonden van de foto wordt door hem geaccepteerd. Vanuit deze liefde voor het Joodse volk is het te verklaren dat een dochter van Van Eck, mevrouw G. Kromhout-van Eck, op 11 augustus 1992 samen met haar zoon David ter nagedachtenis aan haar vader een park voor 2000 bomen in de Negev woestijn opent. In het park van 2000 bomen zijn er 50 door de gemeente Ede betaald. Een gedenksteen houdt de herinnering aan dr. H.J. van Eck levend.

Natuur- en cultuurbeschermer

Het Van Eck-park in Israël refereert niet alleen aan de liefde voor het Joodse volk, maar illustreert ook Van Eck’s betrokkenheid op de natuur. Vanwege de natuurlijke omgeving verhuist hij in 1938 vanuit Amsterdam naar de Veluwe, een streek die hem steeds meer interesseert. Het behoud van het Gelders landschap gaat hem zeer ter harte en hij ervaart de stedelijke ontwikkeling – “Gelderland moest groot worden” – als een reëel gevaar. Logisch gevolg is dat dr. H.J. van Eck functies bekleedt binnen het Geldersch Landschap en Stichting Nationaal Park de Hoge Veluwe. In een artikel over Van Eck in de Edese Courant van 28 december 1985 met als kop “Over tweehonderd jaar is Nederland één grote stad” zegt hij “Ik ben een voorvechter van de natuur en het milieu, mijn leven lang al. Ik keur derhalve dat alsmaar doorgroeien, dat fanatisme, helemaal af”. Hij betreurt het dat de politiek nooit de strijd met autorijdend Nederland durft aan te gaan en is voorstander van een ontmoedigingsbeleid voor automobilisten. In dezelfde lijn opereren de dochters van Van Eck, die zich heftig tegen de uitbreiding van Ede met de woonwijk Kernhem verzetten.
Van Eck’s strijd voor de bescherming van het milieu wordt door gelijkgezinden gewaardeerd: in het bosgebied “de Sijsselt” (in het oostelijk deel van Ede en eigendom van Het Gelders Landschap) wordt in november 1990 een eik geplant als eerste boom van een aan te leggen “van Eck-bos”. Helaas is Van Eck dan al ziek en wordt hij vertegenwoordigd door zijn kleinzoon die aangeeft dat zijn grootvader “heel vereerd is met de naamgeving”.

Hubert Johannes van Eck heeft het “van Eck-bos” niet meer gezien, want op 24 februari 1991 overlijdt hij na een lang ziekbed op 85-jarige leeftijd. In een artikel in De Volkskrant van 22 november 1994 over het stedelijke uitbreidingsbeleid van de gemeente Ede verzucht dochter Nienke: “Misschien wordt mijn vaders naam op het provinciehuis nog met enige eerbied uitgesproken (…) Maar hij is verbitterd gestorven. Hij zag hoe het hier volslagen misliep met de natuur.”

Vereniging Oud Ede

Hoewel Van Eck meer betrokken was op de natuur, laat ook de cultuur hem niet onberoerd. Na zijn pensionering houdt hij enkele lezingen over het ontstaan van Ede en de grote veranderingen in het begin van de twintigste eeuw. Het bestuur van de Vereniging Oud-Ede benadert hem vervolgens voor het voorzitterschap. In de Zandloper van 1984 (“60 jaar Oud-Ede”) schrijft hij hierover: “Ik had me voorgenomen, na mijn 70ste jaar geen functies meer te aanvaarden, maar liet me overhalen … dat voor korte tijd toch maar te willen doen. Ik zou, zoals sommigen dat wel eens zeiden, als een soort ‘tussenpaus’ optreden tussen twee leden van de familie de Nooy”. In 1976 wordt Van Eck voorzitter in de plaats van J. de Nooy en inderdaad wordt hij in 1978 opgevolgd door D. de Nooy. In de periode dat Van Eck voorzitter is, is er de strijd om het behoud van station Ede-Centrum, het huidige Historisch Museum. Ook voor het behoud van molens en andere monumenten zet Van Eck zich in, hetgeen in het begin van de jaren tachtig leidt tot een monumentenverordening en in 1988 uiteindelijk tot de instelling van een gemeentelijke monumentencommissie.
In de eerder genoemde Zandloper schrijft Van Eck tenslotte:
“Ik vind, dat het de taak van een vereniging als ‘OUD-EDE’ is belangstelling te wekken voor de geschiedenis, het verleden voor de mensen te laten leven. Voor de velen hier in Ede is dat vooral het recente verleden, in tegenstelling met bijvoorbeeld Israël, waar juist de belangstelling voor het verre verleden zo groot is”.

Bronnen (aanwezig in het Gemeentearchief Ede)

Literatuur

  • Eck, H.J. van  Boeren en fabrieksarbeiders: een sociografie van de gemeente Ede. - Amsterdam, 1938
  • Aan Theodoor Alexander Boeree – een ‘Libellus’ Amicorum”. - Zutphen 1967 (met bijdrage van H.J. van Eck)

Tijdschriften

  • De Zandloper, 1984/3: H.J. van Eck "Mijn contacten met Oud-Ede"

Documentatie

  • Documentatieverzameling gemeentearchief Ede, archiefnummer 1001, map 14.5

Fotocollectie

  • GA40048 H.J. van Eck

Auteur

Gerard van Bruggen, 2009